SHOSTAKOVICH: SYMFONIE NR. 8
Vergelijkende Discografieen

SHOSTAKOVICH: SYMFONIE NR. 8 in c op. 65 

 

Menig insider beschouwt Shostakovich’ Achtste symfonie als een degelijker en effectiever reactie op de ervaringen uit W.O. II dan de beroemder Zevende, Leningrad. Het is in ieder geval duidelijk een werk dat een diep gevoel van tragedie verraadt en toen de componist in 1948 fel werd bekritiseerd door Zhdanov koos deze juist de Achtste uit vanwege het ‘extreme subjectieve karakter’ en de ‘hevige mistroostigheid’.

 

Achtergronden

De naast Prokofiev belangrijkste twintigste eeuwse Russische componist, tevens de ‘laatste symfonicus’ was onmiskenbaar Shostakovich. Dat zijn muzikale ingevingen en hun vormgeving op een vaak frappante manier lijken op die van Mahler, belicht zijn anachronistische plek in de Westerse muziekgeschiedenis. Het succes van de componist om een ‘dood’ geacht genre in leven te houden, is voor een deel te danken aan het feit dat hij de formele complexiteit van Mahlers persoonlijke ervaringen verving door een breder spanningsveld waarin persoonlijke contemplatie en collectief actionisme samengaan. Dat maakt zijn symfonieën bewust of onbewust tot persoonlijke bekentenismuziek.

Shostakovitch is uit zijn biografie bekend als een overlevingskunstenaar. Achtereenvolgens stond hij bloot aan honger tijdens zijn studie aan het conservatorium in Leningrad waar de commissaris voor volksopvoeding hem extra rantsoenen toeschoof, terwijl hij later in 1936 de woeste aanval van het partijblad Pravda dat hem als ontaarde, on-Sovjet kunstenaar brandmerkte moest pareren, daarna de verschrikkingen van het beleg van Leningrad moest doormaken en tot slot in 1948 nogmaals een culturele aanval op zijn werk door Andrei Zhdanov over zich heen kreeg.

Of Shostakovich anno 1943, nog middenin de oorlog, hier zijn gevoelens over Hitlers meedogenloze invasie of over Stalins dictatoriale terreur uitte, is net zo irrelevant als de kwesties over Beethovens houding jegens Napoleon wanneer we naar de Eroica luisteren. Het gaat meer om een verlossing zoeken via de emoties van verdriet, medelijden en angst.

Het begin van de symfonie klinkt heel krachtig: het gaat om een lang, naar binnen gekeerd adagio dat wordt onderbroken door een snellere doorwerking waarin de spot lijkt te worden gedreven met het oorspronkelijke materiaal. Er is weinig vrolijks aan het werk, maar het derde deel, een allegro, heeft iets gestoords met zijn scherpe randen en zijn machinale ritmen. Het culmineert in een uitgebreide passacaglia voordat het direct overgaat in de finale die in C-groot – doorgaans een toonaard die staat voor het blije, ceremoniële, maar die hier in doortrokken van een nerveuze, ontmoedigende dubbelzinnigheid die suggereert dat hoop een te kostbaar goed is om er onbegrensd van te genieten.

Het werk, dat ook gemakkelijk kan worden opgevat als Shostakovitch’ ’Concert voor orkest’ omdat iedere orkestgroep even apart onder de aandacht wordt gebracht, dateert uit 1943, twee jaar na de Zevende en laat een intussen wijzere, maar ook meer bitter gedesillusioneerde componist horen en is opgedragen aan de dirigent Mravinsky. De al aangestipte heldhaftige finale draagt daar met nu eens grillige oprispingen, dan weer ongemakkelijke rust alle sporen van. Of de meedogenloze visioenen die deze muzikale reis schildert meer de oorlogs- of juist meer de vredessituatie schilderen, is een interessante vraag. De althobosolo die te horen is na de climax uit het eerste deel, moet worden gespeeld of het leven van de vertolker ervan afhangt en de vraag is of zijn klacht te horen is aan de andere kant van de wereld.

 

De opnamen

Is het niet verrassend dat zoveel opnamen van deze symfonie bestaan? Bij sommige gaat het alleen nog om vermelding in (oude) catalogi, andere sommige zijn nauwelijks voorhanden. Maar de rest biedt keuzemogelijkheden te over. Jammer is vooral dat de opnamen van Berglund, Kondrashin en Svetlanov op het appel ontbraken.

Logisch dat de oudere, meest ‘live’ opnamen van Mravinsky, letterlijk en figuurlijk autoritair, te lijden hebben onder een wat kale, schrille klank en wat bijgeluiden; ook de dynamiek is begrensd, maar als interpretatie zijn ze feitelijk nog steeds onovertroffen in hun intensiteit, smart en dramatiek. Van de drie opnamen die van hem ter beschikking staan, is die uit 1960 op BBC Legends de beste. De ruige expressiviteit heeft iets unieks en zo doorleefd heeft de symfonie daarna in opnamen zelden meer geklonken. Het niveau aan concentratie was zelden zo hoog en geen orkest was beter op het werk voorbereid.

Een hoge mate aan authenticiteit is ook te verwachten van Rostropovitch die jarenlang bevriend was met de componist. Van hem staan twee opnamen ter beschikking. Beide beloven meer dan ze waarmaken. De melancholieke, lyrische passages zijn bij hem in uitstekende handen, maar de felle dramatische klinken te slapjes. Van beide opnamen is die uit Washington relatief het beste geslaagd.

Werkend in Moskou, later uitgeweken naar het Westen, lijkt Barshai van de oer-Russische dirigenten het dichtst bij Mravinsky te staan. Deze dirigent stond in zijn jongere jaren bekend als de man die van het Moskou’s kamerorkest een soort kadaverdiscipline eiste. Dat had deels fantastische resultaten en diende in ons land tot een vergelijkbare, maar mildere vorm die zijn acoliet Markiz bij Nieuw Sinfonietta introduceerde. Later werd Barshai milder en zijn beide opnamen van de Achtste leggen daar getuigenis van af. Hij kreeg alle orkestgroepen tot prestaties op het hoogste niveau en meteen al het overpeinzende karakter van het eerste deel krijgt intens en welsprekend karakter. De passacaglia bezit een epische vaart. Kortom, dit is een succesvolle poging. Daarbij heeft de Briljant uitgave het nadeel dat hij alleen als set van alle symfonieën op 11 cd’s toch nog goedkoop voorhanden is.

Gergiev, die zulke felle, kleurige vertolkingen van Russische muziek kan geven, imponeert ook hier in vooral de duistere, sinistere gedeelten. Maar hij neigt soms wat tot overdrijving en komt wat te eenzijdig over.

Dan komen we aan de dirigenten die gewild of ongewild sterk onder de Sovjetcultuur leefden en werkten.

Sanderling, een ware veteraan, werkte jaren lang in Rusland, met name ook bij Mravinsky en Leningrad en groeide als het ware op met dit idioom. In 1976 gaf hij van deze symfonie een krachtig klinkende, zij het naar Russische begrippen wat al te massieve en trage vertolking, die niettemin zeer een nadere kennismaking waard is. Jammer dat hij geen beter orkest ter beschikking had.

Van Jansons mochten we hoge verwachtingen koesteren en zijn enige opname kent inderdaad prachtige momenten, bijvoorbeeld in de overgang van de passacaglia naar de finale, maar de althobomelodie in I zucht onder gekunsteldheid en menige heftige uitbarsting komt ook wat geforceerd aan.

Bychkov deed tot tweemaal toe een goede gooi. Vooral zijn Berlijnse versie zit vol prachtige details, maar over het geheel is daardoor het grote bos te vaag ten gevolge van allerlei uitgelichte bomen.

Een aangename verrassing met een Schots orkest dat op papier niet erg lijkt voorbestemd tot grootse Shostakovitch interpretaties komt van Järvi. Knap ook dat hij er bij vrij trage tempi de concentratie in houdt. Deel voor deel slaagt de dirigent erin de juiste toets te treffen, sfeer en karakter op te roepen. En de opnamekwaliteit toont iets fraaie duidelijks en ruimtelijks.

De vertolkingen van Litton, Slovák, Herbig, DePreist, Levi en Slatkin komen niet verder dan de eerste selectieronde.

Bij Solti is als zo vaak in zijn optreden een grote dosis nerveuze spanning, gejaagdheid merkbaar, versterkt door de haast overdreven brille van het Chicago orkest. Interessant voor een keertje.

Ook Previn maakte een paar opnamen van het werk – zijn DG versie is niet meer verkrijgbaar; jammer want daar kreeg het werk breder gestalte en was het orkestspel beter. Maar er schuilt ook iets in de vaart en zwier die de jongere dirigent in 1973 aan de muziek meegaf. Hij toonde veel gevoel voor de subtieler momenten waardoor het werk onbelaster, maar ook een tikje gladder klinkt.

Haitink vond het ideale compromis tussen de gepassioneerde uitersten van sommige Russische vertolkers en de haast te gladde zorgeloze tonen van menig Westers vertolker. Er schuilt veel energie, maar ook pijn in deze felle vertolking. Wat vooral treft is de monumentale grandeur die hij het werk verleent. De eb en vloed van het werk komen hier meer dan ooit tot hun recht. Is dat mee de nuttige invloed van de Bruckner- en Mahlervertolker? Maar deze uitvoering heeft ook iets afstandelijks, dat we van bijvoorbeeld Sanderling kennen. Dat het Concertgebouworkest prachtig spel bijdraagt, hoeft nauwelijks nader te worden onderstreept.

 

Conclusie

De feitelijk meest directe, waardevolste en nog steeds volkomen geldige benadering van deze symfonie is te vinden bij de man die er vanaf het eerste uur mee vertrouwd werd en aan wie het werd opgedragen: Mravinsky. Kies in dat geval voor zijn Londense uitvoering uit 1960. Een idiomatischer realisatie is er niet. Daarna en daarnaast verdienen vooral Barshai, Järvi en Haitink de aandacht.

 

Discografie

1947. Leiningrad filharmonisch orkest o.l.v. Jevgeni Mravinsky. Melodyia 74321-29459-2, 74321-29406-2.

1947. Novosibirsk symfonie orkest o.l.v. Arnold Kats. Arte Nova 74321-51628-2.

1960. Leningrad filharmonisch orkest o.l.v. Jevgeni Mravinsky. BBC Legends BBCL 4002-2.

1973. Londens symfonie orkest o.l.v. Andre Previn. EMI 574.370-2.

1976. Berlijns symfonie orkest o.l.v. Kurt Sanderling. Berlin Classics BC 2342.

1982. Leningrad filharmonisch orkest o.l.v. Jevgeni Mravinsky. Regis RRC 1250

1983. Sovjet ministerie van cultuur symfonie orkest o.l.v. Gennadi Mravinsky. Melodyia 74321-53457-2.

1983. Concertgebouworkest o.l.v. Bernard Haitink. Decca 425.071-2, 444.430-2, 467.465-2.

1985. Bournemouth symfonie orkest o.l.v. Rudolf Barshai. Classics for pleasure 587.034-2.1988. Saint Louis symfonie orkest o.l.v. Leonard Slatkin. RCA 82876-76238-2.1989. Schots Nationaal orkest o.l.v. Neeme Järvi. Chandos CHAN 8757.1989. Chicago symfonie orkest o.l.v. Georg Solti. Decca 425.675-2.1990. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Semyon Bychkov. Philips 454.683-2.1991 Atlanta symfonie orkest o.l.v. Joel Levi. Telarc CD 80291.

1991. Nationaal symfonie orkest Washington o.l.v. Mstislav Rostropovitch. Teldec 0630-17046-2, 8573-87799-2.

1991. Helsinki filharmonisch orkest o.l.v. James DePreist. Ondine ODE 775-2.

1993. Slowaaks omroeporkest o.l.v. Ladislav Slovák. Naxos 8.550628.1994. Kirov orkest o.l.v. Valery Gergiev. Philips 446.062-2.

1996. Dallas symfonie orkest o.l.v. Andrew Litton. Delos DE 3204.

2001. Pittsburg symfonie orkest o.l.v. Mariss Jansons. EMI 557.176-2.  2004. Londens symfonie orkest o.l.v. Mstislav Rostropovitch. LSO Live LSO 0060, LSO 0527.

2004. Omroeporkest Saarbrücken o.l.v. Günther Herbig. Berlin Classics BC 1793-2.

 

Met onbekende opnamedatum in alfabetische volgorde dirigentnaam

…. . Omroeporkest Keulen o.l.v. Rudolf Barshai. Brilliant Classics 6324 (11 cd’s).…. . Russisch nationaal orkest o.l.v. Paavo Berglund. Pentatone PTC 518.6084.…. . Omroeporkest Keulen o.l.v. Semyon Bychkov. Avie AV 0043.…. . G. Verdi orkest Milaan o.l.v. Oleg Caetani. Arts 47704-8.…. . Weens symfonie orkest o.l.v. Ekiahu Inbal. Denon CO 78910.…. . Beethovenhal orkest Bonn o.l.v. Roman Kofman. MDG MDG 337.1204-2, 9371204-2.…. . Gürzenich orkest o.l.v. Dmitri Kitaenko. Capriccio 71013, 71029.

…. . Moskou filharmonisch orkest o.l.v. Kyril Kondrashin. BMG 74321-151628-2.

…. . Staatsfilharmonisch orkest Minsk o.l.v. Ponnelle. BMG 74321-156258.…. . New York filharmonisch orkest o.l.v. Arthur Rodzinsky. Archipel ARPCD 0127.…. . Londens symfonie orkest o.l.v. Jevgeni Svetlanov. BBC Legends BBCL 4189-2.…. . Radio filharmonisch orkest o.l.v. Marc Wigglesworth. BIS BISSACD 1483. Video…. .  Londens filharmonisch orkest o.l.v. Rudolf Barshai. Digital Classics DC 10010 (dvd).