Verg. Discografieën

SHOSTAKOVICH: PIANOCONCERTEN NR. 1 EN 2

 

SHOSTAKOVICH: PIANOCONCERTEN

 

Circensische flair omgeeft de vaak folkloristische melodievloed die Shostakovich met vaak fel oplichtende grimassen ten toon spreidt, zeker in zijn Eerste pianoconcert waarin piano en trompet met elkaar koketteren.

 

Achtergronden

 

Vergeleken met zijn vijftien symfonieën en vijftien strijkkwartetten is bij Shostakovich de oogst aan concerten vrij mager. Zeker wat die voor piano – zijn eigen instrument – betreft. Maar alle werden geschreven voor een specifieke vertolker. Het eerste voor hemzelf, het tweede van zijn zoon Maxim. Van de pianoconcerten maakt eigenlijk alleen het eerste deel uit van het standaardrepertoire.

Dat Eerste pianoconcert dateert uit 1933 en is voor strijkorkest plus solo trompet en uiteraard piano, een ongewone bezetting, die even ongebruikelijk is als de vorm van het werk die bestaat uit vier in elkaar overgaande delen die als één geheel klinken. Niet vergeten mag worden dat Shostakovich ooit begon als concertpianist met romantisch repertoire voordat hij zich op compositie toelegde. Dat er een solotrompet werd geïntroduceerd, is mogelijk te danken aan Alexander Schmidt, die destijds solotrompet speelde in het Leningrad filharmonisch orkest. Hij speelde in ieder geval ook bij de première

Vanwege de esprit, de helderheid en de scherp geëtste contouren is het werk wel vergeleken met de concerten van Poulenc, maar de humor van Shostakovich is sardonischer en stekeliger. Het werk was van meet af aan populair, vooral dankzij de overdaad aan opbeurende, opgewekte melodieën waaraan de solotrompet niet onaanzienlijke bijdragen levert, de provocerende stemmingswisselingen en de spirituele finale die herinnert aan de Keystone Kops. Kenners van een breed repertoire zullen citaten uit een Pianosonate van Haydn, een rondo van Beethoven, volksliedjes en een Prokofiev pastiche herkennen.

Het Tweede concert dat uit 1957 dateert en werd geschreven nadat door de dood van Stalin een zekere pressie was weggevallen, dus ook intense, verborgen werken tevoorschijn konden worden gehaald en dat voor zoonlief Maxim werd geschreven, is conventioneler van opzet en heeft een wat lichtere toets. Luchtigheid is troef. Toch ontstond het werk in een droeve levensperiode: de echtgenote van de componist, Nina, was kort tevoren overleden en een tweede huwelijk stond niet onder een gunstig gesternte. Maar geen gebrek aan mooi melodisch materiaal. Net als het Eerste vioolconcert bevat het een langzaam, dromerig deel dat vervuld is van een ongegeneerd pathos dan door zijn romantische inslag niet zou misstaan in een pianoconcert van Grieg of Rachmaninov;  de finale is daarna een mooi correctief op ’s componisten eigen soort luchthartigheid. 

 

De opnamen

 

Zoals onderstaande lijst met opnamen aantoont, zijn er legio opnamen van beide werken – van het Eerste concert vanzelfsprekend het meest. Voor wie echt in deze werken is geïnteresseerd, lijkt het logisch om ze tegelijk te bezitten.

Meer dan verwacht is uit die lange lijst veel moois slechts lastig of helemaal niet meer te beluisteren. Van de rest blijft na een voorselectie echter genoeg begerenswaardigs over.

Het lijkt logisch om allereerst de opnamen van de pianisten aan wie de werken zijn opgedragen een voorkeursbehandeling te geven vanwege de authenticiteitswaarde, dus Dmitri Shostakovitch zelf wat nr. 1 betreft en Maxim Shostakovitch wat nr. 2 aangaat. Senior zorgde in 1958 voor een grillige, frenetieke invulling van de solopartij in nr. 1 en bij vlagen laat hij de muziek woelen als een woest beest. Ludovic Vaillant is bezeten van dezelfde geest en speelt briljant en virtuoos. Ook nr. 2 slaagde voortreffelijk en André Cluytens verdient een pluim voor de begeleidingen.

In 1984 ging senior in de herkansing in Montréal. Zijn spel was intussen aanmerkelijk getemd, maar altijd nog bijzonder en zijn zoon dirigeerde begrijpend. Wat een gemiste kans dan beiden niet de rollen omdraaiden en ook het andere concert opnamen in plaats van de Kamersymfonie op. 110a.

Dat Maxim blijkbaar geen opname van ‘zijn’ nr. 2 maakte, is eeuwig te betreuren.

Voor een van de eerste moderne koppelingen van beide werken zorgde Dmitri Alexeev als briljante en assertieve solist. Ook Elizabeth Leonskaja slaat zich met sprankelend en in het Eerste concert geestig spel fraai door deze werken in de beste Russische traditie heen.

Op papier kon men hoge verwachtingen hebben van het samengaan van Mikhail Rudy en Mariss Jansons. In de praktijk valt dat wat tegen. De pianist ageert zeker in concert nr. 1 wat loom en Jansons gaat daarin helaas mee. Mooi klinkt het wel, maar dat is een schrale troost.

Voor de eerste meer dan overtuigende interpretaties van beide werken zorgde – wie had anders verwacht – Marc-André Hamelin. Met gespitste oren volgt men hoe de pianist moment na moment de muziek met essentie vult dankzij deze van veel inzicht getuigende lezingen. Geen gebrek aan de juiste soort opwinding, maar ook aan fraaie blijken van poëzie. Hooguit de trompettist gaat wat overdreven te werk in de finale van nr. 1. Fijn pittig en helder komen de concerten hier naar voren.

Van de twee opnamen die Denis Matsuev in Sint Petersburg maakte, is de eerste (op RCA) de beste. Dsat heeft een aantal redenen. Om het negatief te formuleren: in de uitgave met Gergiev lijkt hij terloopser te spelen, minder geëngageerd. Ook de trompet van Timur Martynov klinkt nogal vet en niet wendbaar genoeg. Gergiev lijkt ook niet op zijn geïnspireerds. Beluister beide opnamen naast elkaar (zeker het lento) en het verschil spring in het oor.

Nee, dan Alexander Melnikov en Jeroen Berwaerts! De nog betrekkelijk jonge, enthousiaste Rus weet de eveneens niet oude musici van het Mahler orkest te enthousiasmeren. Wat hij, haast fluisterend beginnend, van het langzame deel uit nr. 2 (dat merkwaardig genoeg het eerst op zijn cd staat) maakt, is haast niet te geloven. Haast vanzelfsprekend is ook het eerste deel gaaf, maar eigenlijk is het ook pas de finale die inhoudelijk de grootste indruk nalaat.

In nr. 1 zijn alle sfeer- en karakterwisselingen goed gerealiseerd zodat in beide gevallen van een groot succes kan worden gesproken.

Wanneer we de oogst aan Eerste pianoconcerten overzien, valt op hoe Jevgeny Kissin en Vassily Kan mooi met elkaar koketteren en Vladimir Spivakov niet terugdeinst voor esthetische duikvluchten. De karakteristieke eigenschappen van beide werken worden in de gescheiden opnamen van John Ogdon ook goed naar voren gebracht.

Dat Concert nr. 1 een kolfje naar de hand van Martha Argerich was en is, bewees ze reeds in 1993 met haar DG opname uit Heilbronn. Maar met de jaren verdiepte ze duidelijk haar inzicht en werd haar aanpak evenwichtiger zoals blijkt uit de EMI opname uit 2006. Haar visie is even helder gebleven, net als haar spel dat blijk geeft van honderd procent motivatie. Met Sergei Nakarakiov en zijn briljante arpeggio’s in het eerste deel, zijn gedempte expressie in het tweede en zijn dartele fanfares in het laatste had ze geen betere trompetpartner kunnen treffen (luister naar hem in het tweede deel) en het Zwitserse orkest speelt met meer flair dan het Duitse voorheen. Zonder overdrijving vult ze de vormen mooi in en onderstreept ze op onnadrukkelijke manier humor, lyriek en bravoure. 

Een derde opname van Argerich, nu uit Verbier, verscheen op dvd en is ook heel boeiend en raak. Opnieuw trof ze het uitstekend met haar trompetgezel, David Guerrier; hij wordt door de camera’s ook bijzonder belicht. Verder is het pret als vroeger en vooral het tweede deel maakt indruk, maar in de finale gaan alle remmen los en wanneer men gelooft dat de hoogste versnelling is bereikt, wordt er nog een schepje op gedaan.

Hier kan iemand als Martin Helmchen lang niet tegenop. Hij speelt niet uitdagend en brutaal genoeg, aan de enorm verfijnde inbreng van Paul Beniston heeft hij ook weinig, evenmin als aan de te zelfbewuste houding van dirigent Jurowski. Nee dan liever de onbekommerde jeugdige flair van Lise de la Salle.

 

Conclusie

 

Zonder in extenso alle bestaande opnamen van dit tweetal concerten te hebben gehoord, is het niet lastig om een duidelijke conclusie te trekken. Wie logisch en praktisch beide pianoconcerten bijeen wil hebben, kan niet beter doen dan Hamelin of Melnikov kiezen; wie het uitsluitend om het populairdere nr. 1 gaat, vindt niemand beter dan Argerich (EMI), gevolgd door Kissin.

 

Discografie

 

Nr. 1 en 2

 

1954. Dmitri Shostakovitch en Ludovic Vaillant met het Nationaal orkest van de Franse omroep o.l.v. André Cluytens. EMI 754.606-2.

 

1987. Martin Jones en Graham Ashton met het Engels strijkorkest o.l.v. William Boughton. Nimbus NI 5308 (7 cd’s).

 

1991. Elizabeth Leonskaja en Gary Bordner met het St. Paul’s kamerorkest o.l.v. Hugh Wolff. Teldec 8573-8902-2.

 

1992. Cristina Ortiz en ? met het Bournemouth symfonie orkest o.l.v. Paavo Berglund. EMI 573.518-2.

 

1994. Michael Houstoun en John Taber met het Nieuw Zeelands symfonie orkest o.l.v. Christopher Lyndon-Gee. Naxos 8.553126.

 

1995. Eugene List en ? met het UDSSR Omroeporkest o.l.v. Maxim Shostakovitch. RCA 74321-29254-2.

 

1997. Mikhail Rudy en Ole Edward Antonsen met het Berlijns filharmonisch- c.q. het Londens filharmonisch orkest o.l.v. Mariss Jansons. EMI 556.361-2, 575.886-2.

 

1999. Yefim Bronfman en Thomas Stevens met het Los Angeles symfonie orkest o.l.v. Esa-Pekka Salonen. Sony SBK 90481, 60677.

 

2002. Oleg Marshev en Jan Karlsson met het Helsingborg symfonie orkest o.l.v. Hannu Lintu. Danacord DACOCD 601.

 

2003. Marc-André Hamelin en Margaret O’Keele met het BBC Schots orkest o.l.v. Andrew Litton. Hyperion CDA 67425. 

 

2006. Dmitri Alexeev en Philip Jones met het resp. het Engels kamerorkest o.l.v. Jerzy Maksymiuk en het Philadelphia orkest o.l.v. Mariss Jansons. Classics for pleasure CFP 4547.

 

2009/10. Denis Matsuev en Timur Martynov met het Mariinsky orkest o.l.v. Valery Gergiev. Mariinsky MAR 0509. 

 

2011. Paul Gulda en Vladimir Gontcharov met het Moskou’s Radio symfonie orkest o.l.v. Vladimir Fedosejev. Musica Classica 78-13, Gramola.

 

2011. Andrei Korobeinikov en Mikhail Gaiduk met het Lahti symfonie orkest o.l.v. Okko Kamu. Mirare MIR 155.

 

2011. Alexander Melnikov en Jeroen Berwaerts met het Mahler kamerorkest o.l.v. Teodor Currentzis. Harmonia Mundi HMC 90.2104.

 

Nr. 1

 

1945. William Kapell en Samuel Krauss met het Philadelphia orkest o.l.v. Eugene Ormany. Arbiter 108.

 

1954. Shura Cherkassky en Harold Jackson met het Philharmonia orkest o.l.v. Herbert Menges. Medici Masters MM 013-2.

 

1968. John Ogdon en John Wilbraham met de Academy of St. Martin-in-the-Fields o.l.v. Neville Marriner. Decca 466.664-2.

 

1982. André Previn en William Vacchiano met het New York filharmonisch orkest o.l.v. Leonard Bernstein. Philips 456.934-2 (2 cd’s), Sony 44850.

 

1983. Carol Rosenberger en Stephen Burns met het Los Angeles kamerorkest o.l.v. Gerard Schwarz. Delos DE 3021.

 

1984. Dmitri Shostakovitch en James Thompson met I Musici di Montreal o.l.v. Maxim Shostakovitch. Chandos CHAN 8357.

 

1988. Jevgeni Kissin en Vassili Kan met de Moskouse virtuozen o.l.v. Vladimir Spivakov. RCA RD 87947.

 

1988. Ronald Brautigam en Peter Masseurs met het Concertgebouworkest o.l.v. Riccardo Chailly. Decca 433.702-2.

 

1993. Martha Argerich en Guy Touvron met het  Württembergs kamerorkest Heilbronn o.l.v. Jörg Faber. DG 439.864-2.

 

1996. Thomas Deus en Friedrich Reinhold met het Duits symfonie orkest Berlijn o.l.v. Lutz Köhler. Capriccio 10575. 

 

1998. Leif Ove Andsnes en Haakon Hardenberger met het Birmingham symfonie orkest o.l.v. Neeme Järvi. EMI 556.760-2.

 

2006. Denis Matsuev en ? met het St. Petersburg filharmonisch orkest o.l.v. Juri Temirkanov. RCA 700233.

 

2006. Martha Argerich en Sergei Nakariakov met het Orkest van de Italiaans-Zwitserse omroep Lugano o.l.v. Alexander Vedernikov. EMI 504.504-2.

 

2006. Lise de la Salle en Gábor Boldoczki met het Gulbenkian orkest Lissabon o.l.v. Lawrence Foster. Naïve V 5053.

 

2007. Günther Kootz en Willy Krug met het Omroeporkest Berlijn o.l.v. Rolf Kleinert. Berlin Classics BC 3093-2.

 

2009. Alain Lefèvre en Paul Archibald met de London Mozart Players o.l.v. Matthias Bamert. Analekta AN 29283.

 

Nr. 2

 

1959. Leonard Bernstein met het New York filharmonisch orkest. Sony SMK 89752, 44850, Regis RRC 1377.

 

1970. John Ogdon met het Royal philharmonic orkest o.l.v. Lawrence Foster. EMI 574.991-2.

 

1990. Cristina Ortiz met het Royal philharmonic orkest o.l.v. Vladimir Ashkenazy. Decca 467.446-2.

 

2002. Ingrid Jacoby met het Royal philharmonic orkest o.l.v. Charles Mackerras. Dutton CDSA 4804.

 

2008. Martin Helmchen en Paul Beniston met het Londens filharmonisch orkest o.l.v. Vladimir Jurowski. LPO LPO 0053.

 

Video 

 

Nr. 1

 

2009. Martha Argerich en David Guerrier met het Verbier festival kamerorkest o.l.v. Gábor Takács-Nagy. Idéale Audience 307.9568.

 

Nr. 2

 

….. Howard Shelley met het Londens filharmonisch orkest o.l.v. Rudolf Barshai. Digital Classics CD 10010 (dvd).