Verg. Discografieën

Bijdrage leveren?

Geef uw bedrag in

SCHUBERT: SYMFONIE NR. 9, "DE GROTE"

SCHUBERT: SYMFONIE NR. 9 IN C D. 944

 

Schindler, de eerste biograaf van Beethoven, noemde de Negende symfonie van Schubert Ein Ungeheuer, Schumann die het werk terugvond in een lade bi Schuberts broer sprak van de ‘hemelse dimensies’. Het werk ontstond in Schuberts sterfjaar 1828, maar pas twaalf jaar later kreeg het zijn eerste uitvoering in Leipzig 21 maart 1839 onder leiding van Felix Mendelssohn. Een Weens orkest had het na een eerste blik in de partituur te hebben geworpen geweigerd te spelen: het was te lang en te moeilijk; bovendien waren veel eentonige strijkersfiguren te vermoeiend.

 

Achtergronden

 

Inderdaad gaat het bij Schubert IX om een bijzonder werk dat de klassieke vormen deels binnen te buiten keert met zijn vloeiende melodieën, zijn nieuwe dramatische klanken die op een manier worden ontwikkeld die totaal verschilt van die welke Beethoven hanteerde. De harmonische ontwikkelingen en het goochelen met toonaarden in de finale zijn toekomstgericht.

Schumann trof de kern der zaak goed toen hij zei: “Wanneer we de vier delen afzonderlijk beschouwen, dan schenken ze misschien geen volledig bevredigend gevoel. Maar samen  geven ze een prachtig beeld van het vernieuwende karakter van de symfonie”.

Hoewel het handschrift van de symfonie mysterieus op ‘maart 1828’ is gedateerd, werd deze tussen de zomer 1825 en najaar 1826 geschreven. Het manuscript werd aan de Gesellschaft der Musikfreunde in Wenen in de tweede week van oktober aangeboden. Een paar maanden later waren de afzonderlijke partijen gekopieerd.

De lengte is inderdaad verrassend: zelfs zonder herhalingen bevatten de delen respectievelijk 685, 380, 258+166 en 1154 maten. Ter vergelijking: Beethovens Negende bevat 547, 559, 157 en 940 maten. Maar Schuberts orkest is een stuk minder omvangrijk dan dat van Beethoven: dubbele houtblazers, hoorns, trompetten, drie trombones en strijkorkest, niet noodzakelijkerwijs op basis van acht contrabassen.

Het uitgebreide inleidende andante van het allegro ma non troppo geeft meteen blijk van schaal van Schuberts architectuur en de rest van het eerste deel is een prachtig voorbeeld van hoe motieven binnenin zo’n deel kunnen worden geïntegreerd. Andere verenigende elementen zijn de verwantschappen tussen de toonaarden, ritmische patronen en de instrumentatie, zoals bijvoorbeeld het herhaaldelijk en heel origineel gebruik van de trombones.

Het eerste thema met zijn levendige ritme in de strijkers en de daarop antwoordende blazers schept een stevige stuwkracht en het tweede thema, eerder klaaglijk van aard, is minder urgent, maar neemt binnen het geheel een even belangrijke plaats in.

Het andante con moto (in a-klein) is tegelijk direct aantrekkelijk en heel subtiel door de gevarieerde lengte der frasen, de orkestratie en de harmonische gedurfdheid die alle bijdragen tot de nevenschikking én  vermenging van lyriek en drama. Bij Schubert vormen de langzame delen vaak hoogtepunten, ook hier. Naar aanleiding van dit deel had Schumann het over de himmlische Länge. Hij dacht daarbij speciaal aan de recapitulatie van het hoofdthema waar de hoorn een reeks subtiele noten speelt ‘als komend uit een andere wereld. Al het andere is verstomd alsof een hemelse bezoeker door het orkest waart’.

Wanneer het Scherzo (allegro vivace) de levendige en gewichtiger apotheose is van eerdere dergelijke pogingen in de Symfonie nr. 7 in E en het Octet, is het kader hier aanzienlijk groter, meer echt symfonisch.

De finale (allegro vivace) geeft geen blijk van verminderde inspiratie. Hier is de voorwaarts stuwende kracht de drager vaneen opgewonden stemming terwijl tegelijkertijd wordt voldaan aan alle formele eisen.

Dit is echt een werk waarin Schubert zijn tijd een stuk vooruit was en zich een voorloper van Bruckner toont.

Bijnamen en nummers zijn makkelijk om muziekwerken te herkennen, ook al zijn die bijnamen maar zelden door de componist gegeven. Maar niemand stelt de bijnaam – ‘De Grote in C’ – bij Schuberts Negende ter discussie. Er is immers ook ‘De kleine symfonie in C’, nr. 6 D. 589.

De situatie rond de nummering van het werk is complexer. De verwarring ontstond toen eind negentiende eeuw in de Oude Volledige Uitgave van Schuberts werken het nummer 7 aan deze symfonie toekenden en de Onvoltooide D 759 slechts in een appendix opnamen: het werk was tenslotte niet af. Een onbedoeld voordeel van die gangbare nummering was dat de volledig geschetste, maar slechts deels georkestreerde versie van de Symfonie in E D. 729 uit 1821 nu nr. 7 kon worden. Dat werk is overigens o.a. door Brian Newbould georkestreerd

Zelfs nu nog met veel beter toegeruste orkesten en voortreffelijk geschoolde, ervaren dirigenten is een vertolking van dit werk geen sinecure.

 

De opnamen

 

De lijst met theoretisch beschikbare opnamen is weer erg lang en naar aan te nemen valt weer niet eens compleet. Maar dan nog is het bij zo’n veelzijdig aan te pakken werk onmogelijk om één of zelfs twee of die ‘winnaars’  aan te wijzen. Misschien is een sortering per tijdvak of per interpretatief uitgangspunt zinvol. Eerlijk gezegd wordt het maken van keuzes er bij zoveel beschikbaar moois voor de kritische luisteraar niet makkelijker op. Opvallend is wel dat het bij het merendeel van de ‘nieuwe’ uitgaven gaat om nieuwe, gebundelde verpakkingen van oudere opnamen.

In de jaren vijftig vorige eeuw was sprake van een soort strijd tussen Toscaninianen en Furtwänglerianen. Ook of juist wat deze Schubertsymfonie betreft. Toscanini stond voor snel, met veel drive, straf, wat zakelijk, helder, fel, typisch komend vanuit de Latijnse wereld en Furtwängler voor langzaam, met grandeur, heel romantisch en menselijk, flexibel, warm, geworteld in de Duitse romantiek. Er is wel opgemerkt dat Schubert IX niet kan worden ‘geleerd’, maar dat een dirigent hem in zijn botten heeft of niet. Die opvatting is dan strijdig met het bestaan van die twee duidelijke scholen.

Het kan geen kwaad om de zoektocht met hun beider exemplarische uitvoeringen te beginnen omdat ze meteen de uitersten in opvatting markeren. De indeling is vrij grofmazig, maar markant genoeg. Hij geeft in ieder geval de categorische verschillen aan en vormt een uitnodiging om van beide richtingen te proeven.

De strakke, assertieve lijn werd daarna met de nodige marges verschil voortgezet door Abendroth, Boyd, E. Kleiber (2x), Monteux, Szell, Dorati, Harnoncourt, Klemperer, Wand (4x), Solti, Fischer (2x!), Muti, Abbado, Davis (2x), Norrington, Mackerras (3x), Harnoncourt, Gardiner (2x), Van Immerseel, Nott en Minkowski, Weil. 

Wat Furtwängler betreft lijkt de opname uit 1951 de beste keus; hij klinkt minder opwindend dan de oudere, is wat minder emotioneel geladen, maar klinkt gedisciplineerder en fraaier, wat Toscanini (5x) betreft die uit 1947.

De romantiserende richting vond vertegenwoordigers in Walter (6x), Mengelberg (2x), Krips (4x), Böhm (3x), Giulini (4x),Tennstedt, Bernstein (2x), Rattle, Sinopoli, Tennstedt (3x). Dit is misschien ook het moment om op te merken hoe spijtig het is dat de enige opname van Haitink nooit naar cd is overgeheveld. Spijtig ook dat er nooit een opname is gemaakt met Carlos Kleiber. Daarentegen beschikken we gelukkig wel over een fraaie zangerige uitvoering van Van Beinum uit de omroeparchieven. 

En dan zijn er de dirigenten die een altijd veilige middenkoers

Een ander punt geldt de ingeslepen traditie waarbij de herhalingen in de hoekdelen en die in de tweede helften van scherzo en trio worden weggelaten. Overigens: Harnoncourt is een van de weinigen die alle herhalingen serieus neemt en de hemelse lengte zo nog langer maakt. Een andere gewoonte is om het begin andante langzaam te versnellen om de overgang naar het allegro te verzachten en de eigenschap om behoorlijke tempoverschillen aan te brengen tussen eerste en tweede thema’s en om de tempoteugels te laten vieren in het slot coda in plaats van de spanning op te voeren en pas in de laatste maten het tempo te verbreden. Vooral de ‘softies’ bezondigen zich daaraan.

Hier wat korte kenschetsen in een poging de diverse in aanmerking komende uitvoeringen nader te karakteriseren. 

Hoewel niet meer zo markant als kort na verschijnen, verdient ook de lichtelijk granieten interpretatie van Klemperer zeker nog gehoor. In dezelfde geest klinken de interpretaties van Munch die grote dramatische spanningen schept en in zekere zin daarin Toscanini overtreft en de precieuze, beheerste en toch meeslepende Szell.

Wie nog steeds bij Karajan zweert is beter bediend met zijn DG- dan met zijn bijna in galm ten onder gaande EMI uitgave.

Een speciale plaats nemen Böhm en Krips met hun milde, vriendelijke en warm gloeiende verklankingen in. Als relatiegeschenk bracht DG in 1963 ooit met Kerstmis een lp uit met daarop de repetities in Berlijn. Wie luistert naar de Londense opname van Krips uit 1958 zal zich aangenaam verbazen over zijn gelijkmatige tempi binnen een naar Weense stijl gemodelleerde opvatting. Climaxen zijn stevig geplaatst en jammer eigenlijk dat in zo’n mooi geheel de herhalingen mankeren. 

Tot de dirigenten die ook zeer de moeite van het aanhoren waard zijn, behoort Erich Kleiber met zijn prachtige Keulse concert waarin hij alle aspecten van het werk belicht. Jammer dat we van zoon Carlos geen opname hebben.

In 1981 was Davis een der eersten die de Negende compleet met alle herhalingen behalve in het scherzo uitvoerde. Vaart en energie zijn verder kenmerkend, maar is ook veel contrast in tempo en dynamiek en er is veel aandacht besteed aan de articulatie. RCA legde het allemaal prachtig vast. Van de andere oudere Engelse dirigenten is het niet zozeer Barbirolli als wel Boult die indruk maakt.

Bij Mackerras hebben we de keuze tussen drie opnamen. De eerste uit 1988 met ‘oude’ instrumenten, de tweede uit 1998 wat verder toegespitst met de verworvenheden van authenticiteit toegepast op een betrekkelijk klein traditioneel ensemble, nog steeds zonder herhaling in het scherzo, maar nu wel met deze van de expositie in de finale. De derde uit 2006 mrt groot traditioneel orkest brengt geen verbetering.

De anders zo vaak frenetieke Solti is in Wenen opvallend lyrisch en ontspannen. Hier toont de dirigent zijn mildere kant in een vrij overpeinzende, maar lyrisch geladen interpretatie. Het is een uitvoering die meteen diepe indruk maakt en die verrast omdat we de glimlachende en zachtaardige Solti nauwelijks kennen terwijl toch niets aan vitaliteit verloren gaat. Ook de opnamekwaliteit is nog steeds verrassend goed. Goede ‘remastering’ heeft hierbij geholpen.

Een als steeds aparte plaats neemt Celibidache in. Natuurlijk houdt hij weer trage tempi aan, maar zijn zin voor nuancen en lyrische expressie zijn bewonderenswaardig.

Opvallend is dat Rattle in Berlijn eerder in de voetsporen van Furtwängler dan in die van Karajan treedt met zijn brede en vrije opvatting (heel gematigde tempi). Van de tempowisselingen moet men gediend zijn, sommige rallentandi doen wat gemaakt aan. Bovendien wordt de luisteraar in een haast wat te warm klankbad gestort.

Wand is met zijn krachtige en warmbloedige realisaties ettelijke keren vertegenwoordigd. Tot op zekere hoogte maakt hij vooral in de opname met het NDR orkest korte metten met het idee van de hemelse lengten. Vertragingen voor de tweede thema’s uit het eerste en tweede deel, voor overgangen en het trio uit deel drie moet men voor lief nemen. Toch is het resultaat imposant. 

Dat het nog beter kan met een ook beter orkest blijkt uit zijn opname uit 1995 met het Berlijns filharmonisch. Luister naar de strijkers in de finale en de blazers in het algemeen. De toewijding, de ervaring en het inzicht spraken in Berlijn nog duidelijker mee.

Een zekere mate van purisme is Norrington nooit vreemd geweest, maar hij veroorlooft zich ook vaak eigenzinnige vrijheden in tempi en dynamiek binnen een in principe heel voorwaarts stuwende, energieke verklanking die wel een aantal prachtige pianissimi kent.

Wat Brüggen met minstens zoveel ervaring en inzicht op ‘authentiek’ gebied presteerde is minder schokkend, maar wel heel constant op het hoogste niveau. Jammer dat al dit Philips moois uit de catalogus verdween.

Gardiner overleefde deze slachting nog wel en binnen dezelfde cultuur gooit ook hij hoge ogen. Een lichte toets en vlotte tempi waren te verwachten, maar de dirigent laat het orkest zijn Weense traditie, inclusief alle violen met hun specifieke vibrato links en hun typisch gekleurde houtblazers (hobo’s in het tweede deel, prachtig samen als groep in het trio uit deel 3). Dat een compromis tussen bestaand en vernieuwend succesvol kan zijn, wordt hier hoorbaar. Zijn recentere opname met het Concertgebouworkest (helaas alleen en masse verkrijgbaar), munt uit door een lichte, vrij zwierige aanpak die best bekoort.

Een buitenbeentje is de BIS opname van Dausgaard. Dat de Negende door een klein bezet orkest wordt uitgevoerd, is vaker vertoond, met succes door Marriner bijvoorbeeld die een lichte, gracieuze toets huldigt Een aanpak als die van Dausgaard heeft ook best nut, want zo had het werk kunnen klinken aan het eind van Schuberts leven. De vraag is alleen of toen de tempi ook zo ultrasnel zouden zijn geweest als hier. Toch zijn er best mooie momenten dankzij de natuurhoorns, een prachtige hobosolo in het langzame deel, een veerkrachtig scherzo, een Ländler achtig vlot trio en de duidelijke detailtekening. Best verfrissend eigenlijk voor een keer.

Omvangrijk is natuurlijk ook het enthousiaste, gedisciplineerde Europees Kamerorkest dat Abbado ten dienste staat niet. Dat komt om te beginnen de helderheid en de details van zijn verklanking ten goede. Gepunteerde ritmen en triolen flonkeren. Minstens zo interessant en belangrijk is het resultaat van het bronnenonderzoek door de dirigent. Het gaat meestal om minieme wijzigingen, maar duidelijk is wel dat het scherzo vier maten extra krijgt. Verder is verfijning troef. De hele stijl is niet onconventioneel met bijvoorbeeld een lichte vertraging van het tweede thema uit het eerste deel en de wat uitgerekte cellomelodie na de climax uit het tweede deel, maar dat gebeurt binnen een totale, frisse  realisatie waarvan het gelukkig is dat deze niet alleen in de complete box van 5 cd’s verkrijgbaar is.

In het voorbijgaan krijgen de heel goede, maar niet echt opmerkelijke realisaties van de veilige, gedegen Zinman, de van goed inzicht getuigende, onderschatte Zender en de eerste mooie volledige uitgave van Kertész ook nog een goede aantekening.

Net als Abbado heeft Harnoncourt grondig Schuberts eigen manuscripten doorzocht en de nodige onjuiste insluipsels gecorrigeerd. Maar daarop alleen zijn de verschillen tussen beider uitvoeringen niet terug te voeren. Dat blijkt het duidelijkst in de finale, een fel wervelend vivace met heel puntige ritmen en accenten. Het is vooral een genoegen om de snelle delen zo betrekkelijk licht en urgent enthousiasme te horen gespeeld.

Als voorlopig nieuwste uitgave is daar dan nog Fischer die met zijn Hongaarse orkest in 1984 al een – hier onbekende – opname van de Negende maakte. Zonder echt bijzondere dingen voor te toveren weet deze dirigent eigenlijk altijd wel bekend materiaal van nieuwe glans te voorzien, soms ook een heel nieuw aanschijn te geven. Hier begint dat meteen met de bijzondere natuurhoornklanken. Drama wordt aangekondigd. Er is ook verderop nagedacht over de interpretatie: het allegro gaat snel en er zijn geen overdreven tempowisselingen, het andante vloeit logisch met prachtige, subtiele momenten (opnieuw van hoorns en strijkers), scherzo en trio zijn van voortreffelijk gehalte en de finale klinkt mooi militant en eindigt met een meesterlijk coda. Wat zo bijzonder is, zijn de kneedbare beheersing van het ritme, de subtiele zwellingen en samentrekkingen van frasen, het gevoel voor orkestkleuren en de zin voor evenwicht.

Bijzonder is eigenlijk alles wat Van Immerseel aanpakt. Om te beginnen is hij heel gewetensvol

Voor een aangename verrassing met een soepele, vloeiende en transparant klinkende opvatting en een inachtneming van alle herhalingen zorgt Nott. Daar tegenover staat Zehetmair die zijn Oostenrijkse achtergrond meebracht naar Newcastle en Gateshead in een heel goede, aansprekende, lenige, vloeiende interpretatie.

Na Abbado en Harnoncourt heeft ook Van Immerseel zich niet alleen verdiept in de oorspronkelijke autograaf, maar er in de uitvoering ook rekening mee gehouden. Ondanks de wat diffuse klank van zijn opname brengt hij heel gewetensvol mooie details naar voren, houdt de vertolking na een meteen levendig gelanceerd adagio op mobiele wijze de spanningen en ontspanningen mooi gedoseerd en met vrij lichte hand op peil; de middendelen krijgen zo een zelfs enigszins rustiek karakter.

Vanzeksprekend gaat de steeds een uitgesproken eigen opvatting demonstrerende Minkowski anders te werk. Hij profiteert van een heel direct opgenomen, helder ensemble, toont urgentie, schept verwachtingen die worden vervuld en zorgt zo voor mede de mooiste verklankingen die momenteel voorhanden zijn.

Wanneer we mutatis mutandis met enig recht aannemen, dat een ‘optimale’ uitvoering van Schubert IX staat voor een even optimale realisatie van de eerdere symfonieën, bepaalt dit misschien mede het voorkeurslijstje uit de conclusie.

 

Komen we aan de dvd opnamen.

 

Bij de voorbereiding van een Weense uitvoering werd dat meteen in beeld en geluid vastgelegd. In de verfilming van Henri Colpi (bekend van de films Dernière année à Marienbad en Une aussi longue absence) is een goede waarnemer die een schijnbaar ontspannen dirigent en orkest volgt. Böhm vraagt het ensemble telkens om nauwkeuriger te zorgen voor het opvolgen van de detailaanwijzingen uit de partituur (fp, sf, accenten. De bekende strijd wordt gevoerd: “wel luider, maar niet sneller”, de balans tussen blazers en strijkers krijgt aandacht met een enkel woord aan de hobo en de klarinet, maar nooit voor de strijkers. Er is discussie met de trombones (al dan niet verdubbeld) in het scherzo. Dat de uiteindelijke realisatie minder verfijnd en rijk klinkt dan Böhms Berlijnse opname kan deels liggen aan de wat ongelukkige akoestiek van de tv studio. Maar interessant is het wel om het ontstaansproces te volgen.

De videoregistratie van het Europa Concert 2009 met die Berlijners, ditmaal onder Muti en in Napels levert een mooi geïntegreerde, best persoonlijke en krachtige lezing op, die echter wat gladjes aandoet. Toch een gedegen eindresultaat.  

Maar mooier, beter, want geconcentreerder en hoogwaardiger is de opname die in 1995 door ervaren rot Hugo Käch werd gemaakt van een spannende uitvoering door Wand tijdens het Sleeswijk Hollstein Festival in een mooie zaal in Lübeck. De muzikale eb en vloedwerking is prachtig en de tempowisselingen doen heel natuurlijk aan.

 

Conclusie

 

In een zo zwaar bezet veld en met zoveel op verschillende manieren zich onderscheidende uitschieters kunnen alleen  maar de interessantste uitgaven worden genoemd. Dan komen persoonlijke voorkeuren in het geding. Hopelijk konden deze enigszins nader worden bepaald aan de hand van bovenstaande korte karakterschetsen. Daaruit komen  vooral in eerste instantie vooral Furtwängler (DG), Van Beinum, E. Kleiber, Boult, Solti, Fischer (Channel Cl.), Wand (Berlijn) en  Mackerras (Hyperion) naar voren en wat de – soms wel, soms niet ook afzonderlijk uitgebrachte - complete reeks van negen betreft, Abbado, Böhm, Harnoncourt en Nott naar voren.

 

Discografie

 

1928 Hallé orkest o.l.v. Hamilton Harty. Pristine Audio PASC 282.

 

1928. Londens symfonie orkest o.l.v. Leo Blech. Archipel ARPCD 0156, Koch 370722 H1.

 

1934 BBC Symfonie orkest o.l.v. Adrian Boult. Beulah 3PD 12.

 

1937 Berlijns Omroeporkest o.l.v. Karel Ancerl. Tahra TAH 117.

 

1938 Londens symfonie orkest o.l.v. Bruno Walter. Dutton CDEA 5003, Sanctuary AJC 8556.

 

1940 Concertgebouworkest o.l.v. Willem Mengelberg. Philips 416.212-2, History 205255-3-3 (2 cd’s).

 

1941 Philadelphia orkest o.l.v. Arturo Toscanini. RCA GD 60328 (4 cd’s), GD 60313.

 

1942 Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Wilhelm Furtwängler. Pristine Audio PASC 253, Music & Arts CD 826.

 

1942 Concertgebouworkest o.l.v. Willem Mengelberg. Biddulph WHL 039, Tahra TAH 231.

 

1943. Weens filharmonisch orkest o.l.v. Wilhelm Furtwängler. Music & Arts CD 802.

 

1943 Concertgebouworkest o.l.v. Paul van Kempen. Tahra TAH 514/5 (2 cd’s).

 

1946. New York filharmonisch orkest o.l.v. Bruno Walter. United Archives UAR 005-1.

 

1947 NBC Symfonie orkest o.l.v. Arturo Toscanini. RCA GD 60291.

 

1950. Omroeporkest Leipzig o.l.v. Hermann Abendroth. Berlin Classics BC 18403-2 (7 cd’s), BC 2051-2.

 

1950. Concertgebouworkest o.l.v. Eduard van Beinum. Audiophile Classics APL 101.544.

 

1950. Weens filharmonisch orkest o.l.v. Clemens Krauss. Teldec 9031-76438-2.

 

1951 Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Wilhelm Furtwängler. DG 427.405-2, 447.439-2, Music & Arts CD 1218, Naxos 8.111344.

 

1952 Concertgebouworkest o.l.v. Josef Krips. Decca 480.280-2.

 

1952. Staatskapel Dresden o.l.v. Rudolf Kempe. Tahra TAH 370/1 (2 cd’s).

 

1952. Omroeporkest Stuttgart o.l.v. Carl Schuricht. Archipel ARPCD 0382.

 

1952 New York filharmonisch orkest o.l.v. Bruno Walter. United Archives  UAR 0051.

 

1952. Stockholm filharmonisch orkest o.l.v. Bruno Walter. As Disc AS 432, Tahra TAH 508/9 (2 cd’s).

 

1953 NBC Symfonie orkest o.l.v. Arturo Toscanini. RCA GD 60290, 74321-59480-2.

 

1953 Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Wilhelm Furtwängler.  Tahra FURT 1008/11 (4 cd’s), DG 415.660-2.

 

1953 Omroeporkest Keulen o.l.v. Erich Kleiber. Medici Masters MM 027-2, Amadeo 423.414-2, Decca 475.6080 (6 cd’s), Medici Arts MM 027-2.

 

1954. Weens filharmonisch orkest o.l.v. Wilhelm Furtwängler. EMI 565.353-2 (2 cd’s).

 

1954. SWF Symfonie orkest Baden-Baden o.l.v. Hans Rosbaud. Wergo WER 6504-2.

 

1954. NDR Symfonie orkest Hamburg o.l.v. Erich Kleiber. Tahra TAH 561/2 (2 cd’s).

 

1954 Nationaal orkest van de Franse Omroep o.l.v. Josef Krips. Cascavelle VEL 3155.

 

1955 Royal philharmonic orkest o.lv. Thomas Beecham. Somm SOMM-BEECHAM 29.

 

1955. Boston Symfonie orkest o.l.v. Pierre Monteux. West Hill Radio Archives WHRA 6022 (8 cd’s).

 

1956. NDR Symfonie orkest Hamburg o.l.v. Karl Böhm. Istituo discografico Italiano IDIS 6492.

 

1957 Boston symfonie orkest o.l.v. Pierre Monteux. West Hill Radio Archives WHRA 6022 (8 cd’s), Tahra TAH 659.

 

1957 Cleveland orkest o.l.v. George Szell. Sony MK 42415, SBK 48628, EMI 569.364-2 (2 cd’s).

 

1958 Londens symfonie orkest o.l.v. Josef Krips. Decca 425.957-2, 480.4275, 478.44266.

 

1958. Symfonie orkest van de Beierse omroep o.l.v. Eugen Jochum. DG 477.5354.

 

1958 Boston symfonie orkest o.l.v. Charles Munch. RCA 88679-04603-2.

 

1959. Columbia symfonie orkest o.l.v. Bruno Walter. CBS 35 DC 83, Sony SMK 64478.

 

1959. NDR Symfonie orkest Hamburg o.l.v. Hans Schmidt-Isserstedt. Accord 20620-2.

 

1960 Londens symfonie orkest o.l.v. Antal Dorati. Antal Dorati Centenary Society ADL 201.

 

1960. Boston symfonie orkest o.l.v. Charles Munch. RCA 88697-04603-2.

 

1960 Philharmonia orkest o.l.v. Otto Klemperer. EMI 763.854-2.

 

1962. Tsjechisch filharmonisch orkest o.l.v. Franz Konwitschny. Supraphon SU 3468-2.

 

1962. Weens filharmonisch orkest o.l.v. István Kertesz. Decca 430.773-2 (4 cd’s).

 

1963 BBC Symfonie orkest o.l.v. Adrian Boult. BBC Legends. BBCL 4072-2.

 

1963. New York filharmonisch orkest o.l.v. Leonard Bernstein. Sony 88697-683652-8 (60 cd’s).

 

1963 Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Karl Böhm. DG 469.627-2, 471.307-2 (4 cd’s), 445.424-2 (2 cd’s), 457.93221.

 

1964. Hallé orkest o.l.v. John Barbirolli. Seraphim 568.534-2 (2 cd’s), Harmonia Mundi HMA 190059.

 

1967. Staatskapel Dresden o.l.v. Wolfgang Sawallisch. Philips 446.539-2 (2 cd’s).

1969. Symfonie orkest van de Beierse omroep o.l.v. Rafael Kubelik. Audite 92.542

 

1972. Londens filharmonisch orkest o.l.v. Adrian Boult. EMI 769.199-2.

 

1972. Weens symfonie orkest o.l.v. Josef Krips. Orfeo C 234901 A.

 

1975 Londens filharmonisch orkest o.l.v. Carlo Maria Giulini. BBC Legends BBCL 4140-2.

 

1975 Concertgebouworkest o.l.v. Bernard Haitink. Philips 9500097 (lp).

 

1975 Londens filharmonisch orkest o.l.v. John Pritchard. CFP CD-CFP 6037.

 

1976 Cincinnati symfonie orkest o.l.v. Thomas Schippers. Mobile Fidelity MFCD 817, Vox MWCD 7161.

 

1976. Omroeporkest Berlijn o.l.v. Heinz Rögner. Denon 38C37-7035.

 

1977 Omroeporkest Keulen o.l.v. Günter Wand. EMI 747.878-2.

 

1978. Chicago symfonie orkest o.l.v. Carlo Maria Giulini. DG 477.9628 (5 cd’s).

 

1977. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Carlo Maria Giulini. Testament SBT 1463-2.

 

1977. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Herbert von Karajan. DG 423.219-2, 476.895-2.

 

1978 Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Herbert von Karajan. EMI 586.067-2 (2 cd’s), 763.529-2, 764.628-2, 478.106-2.

 

1979. Orkest van de Franz Liszt academie o.l.v. Albert Simon. BMC CD 109.

 

1979. Staatskapel Dresden o.l.v. Karl Böhm. DG 419.484-2. 

 

1981 Weens filharmonisch orkest o.l.v. Georg Solti. Decca 400.082-2, 430.747-2, 460.311-2.

 

1983. Academy of St. Martin-in-the-Fields o.l.v. Neville Marriner. Philips 412.591-2 (3 cd’s), Newton Classics 880.2033 (6 cd’s).

 

1983. Londens filharmonisch orkest o.l.v. Klaus Tennstedt. BBC Legends BBCL 4195-2.

 

1983. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Klaus Tennstedt. Testament SBT 2144-9 (2 cd’s).

 

1984 Chicago symfonie orkest o.l.v. James Levine, DG 413.437-2.

 

1984. Staatskapel Berlijn o.l.v. Otmar Suitner. Denon 33C37-7371.

 

1984 Boedapest Festival orkest o.l.v. Iván Fischer. Hungaroton HCD 12722-2.

 

1984 Staatskapel Dresden o.l.v. Herbert Blomstedt. Berlin Classics BC 1428-2.

 

1984 Londens filharmonisch orkest o.l.v. Klaus Tennstedt. BBC Legends BBCL 4195-2.

 

1985. Weens filharmonisch orkest o.l.v. Zubin Mehta. Orfeo C5660128.

 

1985 Cleveland orkest o.l.v. Christoph von Dohnányi. Telarc CD 80110.

 

1985. BBC Filharmonisch orkest o.l.v. Günther Herbig. BBC BBCL 9144-2.

 

1985. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Daniel Barenboim. CBS MK 42316.

 

1985. Bambergs symfonie orkest o.l.v. Horst Stein. Eurodisc Ariola 610.599 (4 cd’s).

 

1986 Weens filharmonisch orkest o.l.v. Riccardo Muti. EMI 747.697-2, 574.808-2 (4 cd’s).

 

1986. Operaorkest Lyon o.l.v. John Eliot Gardiner. Erato ECD 75495, 4509-99611-2.

 

1986 Staatskapel Dresden o.l.v. Jeffrey Tate. EMI 747.478-2.

 

1987 Concertgebouworkest o.l.v. Leonard Bernstein. DG 427.646-2.

 

1987. Residentie orkest o.l.v. Hans Vonk. Sound 420.956-2.

 

1987. Orchestra of the age of enlightenment o.l.v. Charles Mackerras. Virgin 790.708-2.

 

1987 Chamber orchestra of Europe o.l.v. Claudio Abbado. DG 423.651-2 (5 cd’s), 423.656-2.

 

1988 London Classical Players o.l.v. Roger Norrington. EMI 749.949-2.

 

1988. St. Louis symfonie orkest o.l.v. Leonard Slatkin. RCA RD 60174.

 

1988 Orchestra of the Age of Enlightenment o.l.v. Charles Mackerras. Virgin 913-231-2.

 

1989 Hanover Band o.l.v. Roy Goodman, Nimbus NI 5270/3 (4 cd’s), NI 5222, Brilliant Classics 99587 (4 cd’s).

 

1989. Gewandhausorkest Leipzig o.l.v. Kurt Masur. Philips 426.269-2.

 

1991 Omroeporkest Hamburg o.l.v. Günter Wand. RCA RD 60978.

 

1991. Classical Band o.l.v. Bruno Weil. Sony SK 48132.

 

1992 Concertgebouworkest o.l.v. Nikolaus Harnoncourt. Teldec 4509-91184-2, 2564-62323-2 (4 cd’s).

 

1992 Omroeporkest Saarbrücken o.l.v. Marcello Viotti. Claves CD 50-970005.

 

1992. San Francisco symfonie orkest o.l.v. Herbert Blomstedt. Decca 436.598-2.

 

1992. Weens symfonie orkest o.l.v. Horst Stein. Berlin Classics BC 1722-2.

 

1992 Orkest van de Achttiende Eeuw o.l.v. Frans Brüggen. Philips 438.006-2, 475.7955 (4 cd’s).

 

1992 Staatskapel Dresden o.l.v. Giuseppe Sinopoli. DG 437.689-2.

 

1993 Münchens filharmonisch orkest o.l.v. Günter Wand. Profil Medien  PH 06014.

 

1993 Warschau filharmonisch orkest o.l.v. Peter Tiboris. Albany TROY 089-2.

 

1993. Cleveland orkest o.l.v. Christoph von Dohnanyi. Telarc CD 82008.

 

1993. Symfonie orkest van de Beierse omroep o.l.v. Carlo Maria Giulini. Sony SK 53971.

 

1994 Staatskapel Dresden o.l.v. Colin Davis. RCA 09026-62673-2, 82876-60392-2 (4 cd’s).

 

1994. Münchens filharmonisch orkest o.l.v. Sergiu Celibidache. EMI 556.527-2.

 

1994 Failoni orkest o.l.v. Michael Halász. Naxos 8.553096.

 

1994 Camerata Salzburg o.l.v. Sandor Végh. Capriccio10503.

 

1995. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Günter Wand. RCA 09026-68314-2 (2 cd’s).

 

1996 Staatskapel Dresden o.l.v. Colin Davis. Profil Medien PH 06038, RCA 09026-68547-2.

 

1996. Praags symfonie orkest o.l.v. Gaetano Delogu. Supraphon SU 3268-203-2 (2 cd’s).

 

1996. Saito Kinen orkest o.l.v. Seiji Ozawa. Philips 456.503-2.

 

1996 Putbus Festival orkest o.l.v. Wilhelm Keitel. Arte Nova 74321-54458-2 (4 cd’s).

 

1997 Weens filharmonisch orkest o.l.v. John Eliot Gardiner. DG 457.648-2.

 

1997. Anima Eterna o.l.v. Jos van Immerseel. Zig-Zag territoires ZZT 308 (4 cd’s).

 

1997 Sinfonia Varsovia o.l.v. Yehudi Menuhin. Warner 2564-60532-2, G.I.B. GIB 7905-2.

 

1997. Orkest van de Italiaans Zwitserse omroep o.l.v. Alain Lombard. Forlane 416804 (4 cd’s).

 

1998. Sofia filharmonisch orkest o.l.v. Alois Springer. Roner Records RONER 004.

 

1998 Schots kamerorkest o.l.v. Charles Mackerras. Telarc CD 80502.

 

2000. Aarhus symfonie orkest o.l.v. Hans Graf. Kontrapunkt 32321/2 (2 cd’s).

 

2003. Omroeporkest Wenen o.l.v. Bertrand de Billy. Oehms OC 339.

 

2004. Südwestfunk Orkest o.l.v. Hans Zender. Hänssler 93120 (4 cd’s).

 

2005 Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Simon Rattle. EMI 339.382-2.

 

2005. Staatskapel Dresden o.l.v. Herbert Blomstedt. Edel  Classics 0002962 (4 cd’s).

 

2005. Münchens symfonie orkest o.l.v. Philippe Entremont. Cascavelle VEL 4096.

 

2006 Philharmonia orkest o.l.v. Charles Mackerras. Signum Classics SIGCD 133.

 

2006. Bambergs symfonie orkest o.l.v. Jonathan Nott. Tudor TUDOR 7144, Tudor 1610 (4 cd’s).

 

2007. Nationaal orkest van Bordeaux Aquitaine o.l.v. Kwamé Ryan. Mirare MIR 045.

 

2007. Konzerthaus orkest Berlijn o.l.v. Lothar Zagrosek. Altus ALT 193.

 

2009. Zweeds kamerorkest Örebro o.l.v. Thomas Dausgaard. BIS SACD 1656

 

2010. Boedapest Festival orkest o.l.v. Iván Fischer. Channel Classics CCS SA 31111.

 

2010. Israël filharmonisch orkest o.l.v. Zubin Mehta. Helicon 02-9631. 

 

2010. Musikkollegium Winterthur o.l.v. Douglas Boyd. MDG MDG 9011636-6.

 

2010 Northern sinfonia o.l.v. Thomas Zehetmair. Avie AV 2225.

 

2010. Concertgebouworkest o.l.v. John Eliot Gardiner. RCO Live RCO 11004 (14 cd’s).

 

2010. De Filharmonie o.l.v. Philippe Herreweghe. Pentatone PTC 5186-372.

 

2010. Boedapest Festival orkest o.l.v. Iván Fischer. Channel Classics CCS SA 31111.

 

2012. Les musiciens du Louvre, Grenoble o.l.v. Marc Minkowski. Naïve 22186-05299 (4 cd’s).

 

Met onbekende opnamedatum

 

…. Concertgebouw orkest o.l.v. Eugen Jochum. Tahra TAH 474/7 (4 cd’s).

 

Video

 

1963. Boston symfonie orkest o.l.v. Erich Leinsdorf. ICA Classics ICAD 5043 (dvd).

 

1966 Weens filharmonisch orkest o.l.v. Karl Böhm (repetitie en uitvoering). Medici Arts 207.219-8. 

 

1987. Symfonie orkest van de Beierse omroep o.l.v. Leonard Bernstein. Euro Arts 2072168 (dvd).

 

1995 Omroeporkest Hamburg o.l.v. Günter Wand. TDK DVWW-COWAND 6 (dvd).

 

2009 Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Riccardo Muti. Medici Arts 205.772-8 (dvd).

 

2009. Weens filharmonisch orkest o.l.v. Nikolaus Harnoncourt. C Major 702708 (dvd).

Geef uw bedrag in