Verg. Discografieën

Bijdrage leveren?

Geef uw bedrag in

SCHUBERT: WANDERER-FANTASIE

SCHUBERT: WANDERER-FANTASIE

 

“Die Sonne dünkt mich hier so kalt

Die Blüte welk, das Leben alt

Und was sie reden, leerer Schall

Ich bin ein Fremdling überall”

 

De tweede strofe van het gedicht Der Wanderer van Georg Philipp Schmidt (‘von Lübeck’) dat de negentienjarige Schubert in oktober 1816 als lied publiceerde, diende in november 1822 als kiemcel voor zijn Wanderer-Fantasie in C (waarvan de naam niet van Schubert zelf stamt). Het gaat om een compositie die niet alleen tot de toppen van de negentiende eeuwse pianomuziek behoort, maar dat van groot belang was voor de hele verdere ontwikkeling van de romantische muziek.

 

Achtergronden

 

Met zijn vier ononderbroken te spelen delen is Schuberts Wanderer-Fantasie tegelijk een eerbetoon aan de klassieke sonatevorm en aan de andere kant ook een ontwrichting daarvan. Als geheel herinnert de vorm aan de grote sonates va Beethoven, maar het werk bevat quasi improvisatorische elementen die als het ware de voorgeschreven structuur van binnenuit openbreken. Zo bevat het tweede deel een reeks variaties die meer klinkt als een stel impressionistische stemmingsbeelden, terwijl de finale begint met een fuga die alk gauw verandert in een felle uitbarsting van ontketende passie.

Schubert benaderde logisch genoeg het componeren als een liederenschrijver. Van de vijf instrumentale werken op basis van thema’s uit zijn liederen – het Forellenkwintet, de Wanderer-Fantasie, het strijkkwartet nr. 14 Der Tod und das Mädchen, de Fantasie in C voor viool en piano op basis van het Rückertlied Sei mir gegrüsst en de 13 Variaties over ‘Trockne Blumen’, het achttiende lied uit Die schöne Müllerin – is de Wanderer-Fantasie het revolutionairst.

Een zekere mate van formele samenhang is te danken aan het motief waarmee het werk begint, want dat vormt het basismateriaal waaruit alle volgende belangrijke majeurthema’s zijn geconstrueerd. In het tweede deel wordt dat motief herkenbaar als een op de hierboven geciteerde tekstregels gebaseerd thema uit Schuberts lied Der Wanderer D 489 (voorheen D. 493), een connectie die op de manier van Schumann later een element van autobiografische bekentenis toevoegt.

De  reeks van scharrelende ideeën binnen dit concept van een overkoepelende eenheid stempelt de Wanderer- Fantasie tot een voorvader van de Pianosonate van Liszt; opvallend genoeg was juist dit ook het enige pianowerk van Liszt waarin de volgende generatie echt belangstelling toonde.  

Het resultaat is fascinerend. Het hoofd- en neventhema van het allegro con fuoco zijn zowel omvormingen van de basismelodie (die als thema in het adagio terugkeert) als dragende gedachte van het stormachtige scherzo en de fugatische finale. Maar ook het thema van het trio uit het scherzo ontwikkelt zich vanuit het neventhema van het beginallegro. Dat alles draagt enorm bij tot de geslotenheid van het geheel. Zo ondernam Schubert een geslaagde poging om het klassieke sonatemodel open te breken.

Volgens Alfred Brendel is de Wanderer-Fantasie bepalender voor de toenmalige toekomst van de pianomuziek van de toekomst dan Beethovens Hammerklavier sonate.

 

De opnamen

 

Voordat men zich aan de Wanderer-Fantasie waagt, is het nuttig om eerst eens grondig naar het lied waarop het werk is gebaseerd in een van de hieronder genoemde opnamen te luisteren. Heel illustratief is ook het op de Pollini opname afgebeelde schilderij van Caspar David Friedrich: Der Wanderer über dem Nebelmeer

Helaas was het onmogelijk om uit de lange lijst alle opnamen te bestuderen. Kopen wat nog beschikbaar is, is een onmogelijkheid en zelfs lenen was te duur. Vandaar dat hier enigszins wordt geconcentreerd op de gevestigde grote namen waarvan de opnamen wel bij de hand zijn.

Zo bezien begint het verhaal echt pas bij Claudio Arrau die in zijn beste jaren een de meeste aspecten omvattende prachtuitvoering realiseerde. Ook de beide dichters aan de vleugel, Clifford Curzon en Wilhelm Kempff onderscheidden zich met redelijk dramatische, diepgravende realisaties. Artur Rubinstein onderscheidt zich met name in het variatiedeel heel positief met een magistrale lezing. Prachtig zorgt hij voor eenheid in verscheidenheid. Hij vermijdt ieder zweem van sentimentaliteit. 

Dat Sviatoslav Richter ook hier tot de uitblinkers behoort, zal niemand verbazen. Zowel zijn officiële EMI- als zijn nagekomen BBC opname zijn juweeltjes: meesterlijk in alle opzichten. Ook na de remastering is het pianotimbre mooi present. In zijn diverse waardevolle opnamen benadert Alfred Brendel het werk meer van de intellectualistische dan van de dichterlijke kant, maar mooi is ook hij.

Waarna we bij een eerste, echt hoogtepunt komen met Maurizio Pollini die hier met een van zijn beste opnamen is vertegenwoordigd (al is de klank nogal fel en lichtelijk hol). Trefzeker, vol dramatische kracht zonder teveel nadruk op het virtuoze te leggen zet hij het werk neer zonder het poëtische te verwaarlozen. Een terecht hoogtepunt bij hem is het meesterlijk vormgegeven adagio. Geladen, maar beheerst, niet roekeloos, prima gestructureerd maar niet onplooibaar klinkt het stuk

De vrij onbekende Anton Kuerti verrast vervolgens ook met een gave interpretatie die indruk maakt. Vervolgens stuiten we op de wederom op Murray Perahia die een van de mooiste, meest welsprekende en dichterlijke vertolkingen levert. Minder assterief dan Pollini laat hij de de poëzie duidelijk spreken en houdt toch rusteloze energie intact.  Waarschijnlijk mede omdat hij ver boven de technische materie staat. Opwindend en meeslepend is hij in de snellere passages, hoogst expressief in de langzamere. Het gaat ook om een heel persoonlijke uiting.

De jonge Jevgeny Kissin is ook niet te versmaden in een levendige interpretatie waarin de expressie virtuoos is en het virtuoze expressie. Maar anderen peilden  grote diepten; mogelijk was de pianist nog niet helemaal rijp voor dit werk.

Tussendoor is het goed om ook nog even de aandacht te vestigen op een imposante prestatie van Nikolai Demidenko.

Op voortreffelijke wijze brengt András Schiff de verschuivingen tussen klassiek evenwichtigheid, intens romantische sfeertekening en bijna expressionistische ontwrichting naar voren. Contrasten worden niet overdreven, elk detail telt. Visie en integriteit zijn imposant.

Vaak moet ik bij het luisteren naar Lang Lang denken aan een masterclass van Leslie Howard in het kader van het Utrechtse Lisztconcours. Daar speelde een piepjonge Chinese deelneemster aan van de Mephistowalsen. Technisch heel vaardig, maar vrij expressieloos. Waarop Howard vroeg: “Enig idee wie Faust was? Ooit iets van Goethe gelezen?” Nee dus. Op zo’n moment blijkt een enorme cultuurkloof. Dat is niet direct een verwijt, maar wel blijk van een in te halen achterstand. Op hoger niveau speelt dat meestal ook bij Lang Lang: prachtig afgewerkte noten, maar ze blijven slechts een façade. 

Voor Harmonia Mundi nam Paul Lewis, wereldberoemd in Engeland, een complete reeks pianowerken van Schubert op. Over het geheel wekt hij daarmee een heel positieve indruk. Waar het hier om gaat is dat zijn aanpak van de juiste visie getuigt en dat met succes aandacht aan het totaalconcept is besteed zowel als aan het detail. Bertrand Chamayou brengt het met zijn technische precisie heel ver, maar schiet tenslotte met de expressie net iets tekort.

Door een gelukkig toeval kreeg ik de opname van de Roemeens-Oostenrijkse, al wonderkind begonnen, thans in Keulen docerende Sorina Aust-Ioan in handen. Op cd manifesteerde ze zich onder meer met een reeks opnamen onder de titel Fantasien. Logisch dat zich daaronder vrij prominent ook het onderhavige werk bevindt. Van de jongere nieuwkomers is zij een van degenen die met haar quasi improviserend lijkende, welsprekende vertolking een der interessantsten. 

In principe zorgt ook Konstanze Eickhorst voor eenzelfde juiste interpretatie die uitmunt door exactheid en nuancering. Het is pas bij vergelijking met de ware grootmeesters van dit idioom dat ze wat achterblijft.

 

Arrangementen

 

Van de georkestreerde versies is die van Charles Koechlin veruit het mooist. In dat opzicht toonde de componist zich een grootmeester en gelukkig doet Heinz Holliger hem alle eer aan in een prachtig opgenomen vertolking. 

 

Conclusie

 

Wie zijn die grootmeesters die net dat beetje meer te bieden hebben? Om dat uit te vinden, komen we primair bij Schiff, Perahia, Richter en Pollini terecht en in tweede instantie bij Arrau, Rubinstein, Curzon en om ook de dames recht te doen bij Aust-Ioan terecht. Zij zijn het die met de eer gaan strijken.

De meeste dvd opnamen zijn onbekend dus daarover valt het lastig om een oordeel te vellen.

 

Discografie

 

Lied Der Wanderer D. 489

 

1998. Christopher Maltman en Graham Johnson. Hyperion CDJ 3303-2.

 

1972. Dietrich Fischer-Dieskau en Gerald Moore. DG 474.173-2.

 

Wanderer-Fantasie voor piano D. 760

 

1934. Edwin Fischer. Andante AN 2070 (4 cd’s), Appian APR 5515.

 

1937. Wilhelm Backhaus. Adda 158003/5 (3 cd’s).

 

1941. Elly Ney. Pearl GEMM CD 9170.

 

1950. Lili Kraus. Vanguard 92503, 8407071.

 

1953. Claudio Arrau. Urania URN 22.281.

 

1954. Clifford Curzon. Decca 466.498-2,  Philips 456.757-2 (2 cd’s).

 

1956. Claudio Arrau. EMI 761.019-2.

 

1961. Artur Rubinstein. RCA RD 86257, 09026-63054-2.

 

1962. Alfred Brendel. Vox CD6X 3601 (6 cd’s), Vox MWCD 7159.

 

1963. Sviatoslav Richter. BBC Legends BBCL 4126-2.

 

1963. Leon Fleisher. Sony SBK 47667.

 

1963. Sviatoslav Richter. EMI 747.967-2, 767.197-2 (4 cd’s).

 

1965. Artur Rubinstein. RCA 09026-63054-2.

 

1967. Sviatoslav Richter, Doremi DHR 7954.

 

1968. Wilhelm Kempff. DG 479.03154.

 

1969. Dino Ciani. Istituto discografico Italiano IDIS 6514.

 

1971. Alfred Brendel. Philips 420.644-2.

 

1971. Vladimir Ashkenazy. As Disc AS 121.

 

1971. Nicolaï Petrov. Olympia OCD 275.

 

1972. Bruno Leonardo Gelber. EMI 762.637-2.

 

1973. Viktor Merzhanov. Vista Vera UL 95107.

 

1973. Maurizio Pollini. DG 418.672-2.

 

1978. Vladimir Feltsman. CBS MK 42569.

 

1981. Paul Badura-Skoda. Astrée E 7763.

 

1982. Oleg Maisenberg. Orfeo C 043831 A.

 

1984. Anton Kuerti. Analekta FL 24011-7 (7 cd’s).

 

1985. Murray Perahia. CBS MK 42124.

 

1985. Vladimir Ashkenazy. Decca 417.327-2.

 

1986. Ted Jodelson. Olympia OCD 350.

 

1987. Paul Badura-Skoda. Music & Arts CD 267.

 

1988. Elisabeth Leonsakaja Teldec 844254, 0927-40831-2.

 

1988. Alfred Brendel. Philips 422.062-2,  446.937-2.

 

1988. Gilbert Schuchter. Tudor TUDOR 747/9 (3 cd’s).

 

1988. Sergei Edelmann. RCA RD 87746.

 

1989. Ralf Gothóni. Ondine ODE 634-2.

 

1989. Peter Rösel. Capriccio 51078 (2 cd’s), Berlin Classics BC 1365-2.

 

1990. Jevgeny Kissin. DG 435.028-2, 477.616-2 (2 cd’s).

 

1991. Friedemann Kessler. Sound Starton SST 30221.

 

1991. André Watts. EMI 754.153-2, Philips 456.985-2 (2 cd’s).

 

1992. Rafael Orozco. Valois V 4683.

 

1992. Izumi Tateno. Pony Classics PCCL 00172.

 

1993. Leonid Kuzmin. Russian RC CD 10024.

 

1993. Jenö Jandó. Naxos 8.550846.

 

1993. Michel Dalberto. Denon  CO 78955.

 

1994. Alexander Leman. Phaedra 292.010.

 

1995. Vladimir Sofronitzky. Arlecchino ARL 2.

 

1995. Nikolai Demidenko. Hyperion CDA 67091/2 (2 cd’s).

 

1995. E. Ikezi. Newport NPD 85632.

 

1996. Michael Thalmann. Discover DICD 920386.

 

1996. Jörg Demus. Saphir LVC 001038.

 

1997. Ingeborg Baldaszti. BMG 74321-44169-2.

 

1997. Michaël Lévinas. Arion PV 798051.

 

1997. Elisso Wirssaladze. Live Classics LCL 372.

 

1998. András Schiff. ECM 464.320-2.

 

1998. Claudius Tanski. MDG 312-0924-2.

 

1998. Elisabeth Westenholz. Kontrapunkt 32278.

 

1999. Daniel Blumenthal. Cypres CYP 1621.

 

2000. Sorina Aust-Loan. Melisma MELI 7183-2.

 

2000. Anthony Goldstone. Divine Art 21202 (2 cd’s).

 

2000. Cecilia Soria. Gallo CD 1078.

 

2001. Semion Kruchin. Meridian CDE 84452.

 

2001. Vahan Mardirossian. Intrada 1.

 

2001. Jérôme Ducros. Ligia LIDI 0103095-01.

 

2002. Ivo Janssen. Ivo 9905.

 

2002. Olga Filatova. Thorofon CTH 2475.

 

2002. Alain Planès. Harmonia Mundi HMC 90.1790.

 

2003. Lang Lang. DG 477.7564, 474.875-2 (2 cd’s).

 

2003. Daniel Röhm. Genuin GEN 04044.

 

2004. Luiza Borac. Avie AV 2061.

 

2004. Anton Nel. Artek

 

2004. Jeremy Siepmann. Naxos 8.558135/8 (4 cd’s).

 

2005. David Fray. Atma ACD 22360.

 

2005. Pietro de Maria. Vaia VAIA 1206.

 

2007. Brigitte Engerer. Mirare MIR 043.

 

2007. Ferenc Vizi. Satirino SR 071.

 

2007. Vassily Primakov. Bridge 9322.

 

2008. Jan Vermeulen. Et’cetera KTC 1334-2 (2 cd’s).

 

2008. Michael Endres. Oehms OC 731.

 

2009. Olga Scheps. AVI 8553174 (6 cd’s).

 

2009. Paul Berkowitz. Meridian CDE 84285.

 

2009. Eldar Nebolsin. Naxos 8.572459.

 

2009. Sergei Edelmann. Triton EXCL 00038.

 

2010. Hideyo Harada. Audite 92.575.

 

2010. Viviana Sofronitzki. AVI 8553250.

 

2011. Laurent Cabasso. Naïve V 5282.

 

2011. Matthias Kirschnereit. Berlin Classics BC 030030-2.

 

2011. Paul Lewis. Harmonia Mundi HMC 90.2136/7 (2 cd’s).

 

2012. Simon Trpceski. Wigmore Hall WHLIVE 0058.

 

2012. Konstanze Eickhorst. Genuin GEN 13289.

 

2012. Tristan Pfaff. Aparté AP 065.

 

2012. Dora Deliyska. Gramola 98969.

 

2013. Barry Douglas. Chandos CHAN 10807.

 

2013. Bertrand Chamayou. Erato 463707.

 

2013. Konstanze Eickhorst. Genuin GEN 13289.

 

Met onbekende opnamedatum

 

…… David Golub. Arabia 26647.

 

…... George Hatsopoulos. Hänssler CD 98326.

 

…… Bruce Hungerford. Vanguard

 

…… Andreas Lucewicz. Tacet EA 10130.

 

…… Yasuko Matsuda Obligat O 1224.

 

…… Barbara Nissman.

 

…… Christoph  Soldan. Class 0310.

 

…… Dinorah Varsi. Philips 442.653-2.

 

Bewerking voor piano en orkest Liszt

 

1986. Jorge Bolet met het Londens filharmonisch orkest o.l.v. Georg Solti. Decca 467.801-2 (9 cd’s).

 

Bewerking voor piano en orkest

 

1937. Clifford Curzon met het Queen’s Hall orkest o.l.v. Henry Wood. Decca 475.6786 (6 cd’s).

 

Bewerking voor piano en orkest Koechlin

 

2010. SWR Omroeporkest Stuttgart o.l.v. Heinz Holliger. Hännsler CD 93.286.

 

Bewerking voor orkest James

 

2005. Engels kamerorkest o.l.v. Orlando Jopling. Signum SIGCD 095.

 

Video

 

1970. Julius Katchen. EMI 490.122-9 (dvd).

 

1977. Alfred Brendel. Euro Arts 205/655-8 (5 dvd’s), Medici Arts 205780-8 (dvd).

 

1990. Jevgeny Kissin. DG 073-440-2.

 

2003. Lang Lang. DG 073-0989 (dvd).

 

2004. David Fray. Naïve DR 2118 AV 70 (dvd).

 

2006. Boris Giltburg. VAI 4393 (dvd).

Geef uw bedrag in