STRAVINSKY: VUURVOGEL, DE
Vergelijkende Discografieen

STRAVINSKY: DE VUURVOGEL

 

Serge Diaghilev was niet zomaar iemand in het leven van Stravinsky: hij betekende in artistiek en menselijk opzicht heel veel voor de componist. Diaghilevs Ballets russes golden niet alleen in Parijs als belangrijke institutie die de jonge Stravinsky als springplank om wereldroem te bereiken diende, Dat begon in 1910 met De Vuurvogel, een ballet waarin meerdere sprookjes zijn verenigd.

 

Achtergronden

 

Het resultaat was dat L’Oiseau de feu een totaalsprookje, ‘une conte dansé en deux tableaux’ werd waarin de vuurvogel een jonge prins helpt om een wonderschone prinses uit handen van een boosaardige mensen-etende reus te redden en haar hart te winnen.

Diaghilev koos De Vuurvogel als onderwerp voor het eerste ballet dat hij zelf voor zijn eigen balletgezelschap creëerde. Lyadov’s onwillige traagheid om daarvoor de muziek te leveren, maakte dat de impresario het risico nam om de opdracht te verstrekken aan de jonge, onervaren Stravinsky. Maar deze nam de uitdaging van deze eerste grote opdracht graag aan. De uitkomst is bekend.

Het eerste Parijse publiek dat kennis maakte met het ballet moet veel van Rimsky-Korsakovs invloed hebben herkend, want Stravinsky nam veel van zijn leraar over. Bijvoorbeeld de chromatiek die hij voor de magische figuren toepaste en de modaal-diatonische stijl die de stervelingen kenmerkt.

Maar de zorgvuldige waarnemer werd ook onmiddellijk duidelijk dat Stravinsky veel dieper expressie lagen aanboorde dan in de exotische werken van Rimsky-Korsakov het geval was. Debussy was bijvoorbeeld gefascineerd door de latent aanwezige barbarij – Katschei’s ‘danse infernale’ kan worden beschouwd als vertrekpunt van de Sacre - en genoot van de ‘ongewone ritmecombinaties’.

Met de choreografie van hoofdroldanser Michel Fokine en decors van Léon Bakst werd dit ballet een van de vroege voorbeelden van de manier waarop de impresario talenten uit verschillende disciplines bij elkaar wist te brengen. Geen wonder dat het werk meteen enthousiast werd ontvangen.

Stravinsky’s ouders hadden een beginnende muziekcarrière van hun zoon sterk afgeraden, maar gestimuleerd door de betoverende orkestrale inventiviteit van Rimsky-Korsakov en diens zin voor exotische thema’s wist Stravinsky snel zijn eigen stijl te vinden.

Zoals gebruikelijk bij Stravinsky hebben we te maken met een oorspronkelijke complete versie uit 1910 plus de latere uit 1947 en een daaruit samengestelde originele suite uit 1911, die in 1919 en 1945 werd herzien wat erop neerkomt dat de orkestratie wat werd uitgedund en zo bijvoorbeeld de ostinati van het magische carillon zo verdwenen. In de versie 1945 is het aantal strijkers niet gespecificeerd, maar de verdeling bij de blazers wel

Maar als men dan al een opname van De vuurvogel wenst, waarop dan genoegen genomen met een suite wanneer het geheel zoveel waardevoller is?

 

De opnamen

 

Het is nogal voor de hand liggend om eerst eens naar de drie opnamen van Igor Stravinsky zelf te luisteren, wel wetend dat net zoals dichters niet altijd de beste voordrachten van eigen werk geven, ook componisten het uitvoeren van hun werk beter aan echte vaklieden kunnen overlaten. In de eerste opname had hij de handicap van vrij pover geluid en een Straram orkest dat niet aan de huidige verwachtingen voldoet.

Maar de opname uit 1961 is werkelijk de moeite omdat de componist/dirigent hier zo goed het element van groteske fantasie naar voren brengt. Opvallend verder hoe gul hij met rubato is.

Leopold Stokowski was er ook vroeg bij. Hij maakte in totaal zes opnamen van het werk en laat natuurlijk vooral de kleurige kanten spreken, maar imponeert daarmee niet echt ten opzichte van andere, latere dirigenten. 

Van Ernest Ansermet verwacht men terecht dat hij in zijn beide opnamen affiniteit met deze muziek toont. Dat is ook duidelijk het geval. Hij zorgt voor veel differentiatie, had alleen wat dynamischer mogen zijn op de dramatische momenten. De tweede Londense opname is beter geslaagd en bovendien interessanter vanwege de opgenomen orkestrepetitie fragmenten.

Ook Antál Dorati legde l’Oiseau de feu een aantal keren vast en deze muziek was een kolfje naar zijn hand. Hij profiteerde vooral ook van Mercury’s ‘Living Presence’ opnametechniek die tot volle gelding kwam in de Londense Watford Town Hall en al vroeg in de stereotijd in staat was om een heel helder natuurlijk stereobeeld te projecteren. Van de latente dreiging aan het begin tot het extatische slotkoraal munt vooral de elektriserende opname uit 1959 met het Londens symfonie orkest uit. De muziek klinkt hier nog steeds fris, spontaan en met uiterste precisie gerealiseerd.

Iemand als Simon Rattle maakte ook een paar opnamen van het ballet. De eerste, uit Birmingham, klinkt nog steeds imposant. Hij legde nogal de nadruk op romantische invloeden. Indertijd werd de Amsterdamse opname van Colin Davis hoog aangeschreven. Maar zijn Philipsmateriaal zal intussen wel geheel teloor zijn geraakt.

Van de diverse opnamen die Pierre Boulez maakte, is die uit Chicago het kleurigst en het scherpst in focus. Bovendien speelt het orkest met ongewone finesse. In het gezelschap van prominentere Stravinskyvertolkers maken de Amsterdamse en Berlijnse opname van Bernard Haitink een indruk van voorbijgaande aard. Gek genoeg geldt dit ook voor Mariss Jansons in Oslo en Amsterdam. Dat de diverse opnamen van Lorin Maazel uit oog en oor zijn verdwenen, is niet zo’n ramp in dit geval.

In Wenen kreeg Christoph von Dohnanyi bij een soort invalbeurt eindweegs, maar net niet helemaal mee waardoor het resultaat teveel in de analysefase blijft steken. Heel mooi caleidoscopisch is hierna wat Kent Nagano laat horen. De eb en vloed van spanning en ontspanning verloopt heel natuurlijk en waar het op aan komt klinkt helder en duidelijk.

Ook Tilson Thomas imponeert met een heel verzorgde, verleidelijke realisatie. Dankzij Telarc geniet Paavo Järvi alle voordelen van een volmaakte opnametechniek. Maar ook zonder dat doet hij het werk alle recht.

Dat deze muziek iemand als Valery Gergiev op het lijf geschreven is, behoeft nauwelijks nader betoog. Let alleen maar eens op hoe fraai hij de overgangen realiseert. Levendig zij details uitgewerkt, de orkestbalans is nagenoeg ideaal en de verwachte hoogtepunten klinken ook als zodanig.

Het moe mede aan de SACD opnamekwaliteit liggen, dat de Belgische inbreng van Yoel Levi zo goed is geslaagd. De aandacht is vooral gericht op een warme expressie en het scheppen van sfeer. Dat de dramatiek wat tekort komt, is niet anders. Daar staat een prachtige dynamische nuancering tegenover.

Nogal aan het glanzend oppervlak blijft Gustavo Dudamel in dit geval hangen. Jukka-Pekka Saraste laat een heel briljante, keurig opgenomen visie horen die alle recht doet aan de kleurige orkestratie. Details worden mooi belicht, Katschei’s dans klinkt energiek. Wie van een ietwat romantische, niet door en door Russische opvatting houdt, kan hier goed terecht.

De voortreffelijkheid die in alle opzichten de lezing van Yakov Kreizberg bezit, is in de afzonderlijke recensie al bezongen. Dat men daarbij vast zit aan 3 cd’s met verder Petroesjka, de Sacre en Pulcinella zal geen straf zijn. Het is haast een wonder wat deze dirigent aan het orkest uit Monte Carlo weet te ontlokken.

Andrew Litton is beter thuis in de rustige, lyrische gedeelten dan in de felle dramatische. Mooi orkestspel, maar het is een te onvolledig geschetst beeld.

Met nogal schril geluid, vooral van violen, fluit en piccolo en tamelijk gejaagde tempi plaatst Philippe Jordan zich al gauw buiten spel.

Een geval apart vormt hetgeen François-Xavier Roth laat horen. Het gaat om een Frans ensemble dat naar authentieke klank streeft met behulp van gereconstrueerde blaasinstrumenten met een dunne boring. Dat uitgangspunt lijkt wat dubieus maar de hoorns klinken in ieder geval mooi strak. De vertolking klinkt verder doorleefd en vitaal dus is zeker nadere kennismaking waard.

Net als Opus Arte maakte Naïve er bij Tugan Sokhiev meteen een dubbelproductie op cd en dvd van. Als de Halle aux grains in Toulouse een wat passender akoestiek had, zou het nu al fraaie dynamische karakter van de interpretatie nog beter tot zijn recht zijn gekomen. Met name de pauken hebben daaronder te lijden.

 

De suites

 

Dat Sergiu Celibidache in de jaren vijftig nog veel vitaler, vlotter interpreteerde dan in zijn latere jaren, blijkt uit een Keulse opname uit 1958. Relatief gezien tegen de achtergrond van zoveel omringend moois, weet Leonard Bernstein niet echt te imponeren. Noch in zijn volledige New Yorkse opname, noch met het Israel filharmonisch. Opwinding genoeg, maar weinig sfeer.

Zoals te verwachten was, spreekt bij Claudio Abbado iedere nuance van sfeer en kleur.

Een dirigent als Günter Wand lijkt niet de eerst aangewezene voor een werk als dit. Maar hij zorgde wel voor een helder exposé.

Myung-Wha Chung bereikt zeer muzikale resultaten met zijn Parijse musici en het ontbreekt niet aan verbeeldingsvolle momenten. Als acoliet van de componist is iemand als Robert Craft zeer wel in staat om diens bedoelingen in klinkende muziek om te zetten. Hij realiseert een hechte structuur en zorgt voor sfeer.

Opvallend, want wat onverwacht, brengt Josep Pons het er in Granada van af met zijn kleinere bezetting in de versie 1945. Hij schuwt enig portamento niet, is in de tempokeus aan de trage kant, maar zorgt voor klaarheid en fraaie soli; subtiele kleuren zijn zorgvuldig ingevuld.

Bij Iván Fischer klinkt de 1919 versie precies zoals het moet, beter kan het niet worden uitgedrukt. Een extra hoogtepunt wordt bereikt in de ‘Dans van de vuurvogel’. Prachtige opname.

Het Nieuwjaarsconcert Berlijn uit 2011 met Simon Rattle verscheen zowel op cd als op dvd. Met beeld erbij kan men aanzienlijk meer van dat geslaagde concert genieten, wat het Stravinsky gedeelte betreft, valt vooral de getoonde panache in ‘Katschei’s dans’ op. Maar de hoofdschotel die avond was Jevgeni Kissin in het pianoconcert van Grieg.

 

Beeldopnamen

 

Behalve de hierboven al aangestipte dvd opnamen hebben we nog producties van heel wat anderen. De TDK opnamen van Pierre Boulez en Valery Gergiev – beide zeer de moeitewaard – zijn uit de handel genomen. Of ArtHaus ze heeft overgenomen? Het is te hopen want het zou jammer zijn wanneer ze helemaal uit roulatie zijn.

Wat Pierre Boulez in het Musée du Louvre te Parijs vertoonde. is als steeds zeer de moeite waard. Nadeel is dat het merendeels jonge publiek zo onrustig is en de nodige stoorgeluiden produceert. Wel weer boeiend is de ongeveer 50 minuten durende toelichting die hij (vanzelfsprekend in het Frans) op het werk geeft.

Iemand die de nodige fantasie toont, is Paavo Järvi met een geschakeerde vertolking waarin de danse infernale en de finale mooi gespierd zijn, best de moeite waard om te horen en te zien.

Altijd erg de moeite waard was natuurlijk ook Claudio Abbado in Luzern.

 

Conclusie

 

Een keuze maken uit de veelheid van prachtig materiaal (met excuses aan de niet voorhanden uitgaven) komt neer op uitgesproken voorkeuren voor Dorati/Londen, Gergiev, Kreizberg, Rattle/Birmingham voor het volledige werk, Järvi, Fischer, Abbado voor een suite en nogmaals Gergiev en Abbado voor de dvd kant.

 

Discografie

 

1928. Orkest van de Berlijns Staatsopera o.l.v. Oskar Fried. Music & Arts CD 1198.

 

1928. Straram orkest o.l.v. Igor Stravinsky. Pearl GEMMCD 9334.

 

1952. Londens symfonie orkest o.l.v. Antál Dorati. Pristine Audio PASC 145.

 

1955. Suisse romande orkest o.l.v. Ernest Ansermet. Decca 467.818-2 (8 cd’s).

 

1959. Londens symfonie orkest o.l.v. Antál Dorati. Mercury 432.012-2, 470.643-2.

 

1961. Columbia symfonie orkest o.l.v. Igor Stravinsky. Sony SMK 89875, 88697-10311-2, CBS MS 6328, 88697-88414-2 (7 cd’s).

 

1962. Radio Symfonie orkest Berlijn o.l.v. Lorin Maazel. DG 413.155-2.

 

1968. Philharmonia orkest o.l.v. Ernest Ansermet. Decca 443.572-2, 480.3780 (2 cd’s).

 

1972. Orchestre de Paris o.l.v. Seiji Ozawa. EMI 253.662-2.

 

1973. Londens filharmonisch orkest o.l.v. Bernard Haitink. Philips 438.350-2 (2 cd’s).

 

1975. New York filharmonisch orkest o.l.v. Pierre Boulez. Sony SMK 42396, SMK 45843.

 

1977. Israel filharmonisch orkest o.l.v. Leonard Bernstein. DG 477.519-2 (6 cd’s).

 

1978. Concertgebouworkest o.l.v. Colin Davis. Philips 400.074-2, 434.731-2.

 

1979. Weens filharmonisch orkest o.l.v. Christoph von Dohnanyi. Decca 476.2700.

 

1981. Moskou filharmonisch orkest o.l.v. Dmitri Kitajenko. Melodiya MEL CD 1001990 (2 cd’s).

 

1982. Detroit symfonie orkest o.l.v. Antál Dorati. Decca 410.109-2, 448.226-2, 478.1733, 478.475-2 (2 cd’s).

 

1983. Boston symfonie orkest o.l.v. Seiji Ozawa. EMI 747.017-2.

 

1984. Montréal symfonie orkest o.l.v. Charles Dutoit. Decca 414.409-2, 478.3028 (7 cd’s).

 

1985. Moskou filharmonisch orkest o.l.v. Dmitri Kitajenko. Melodiya MEL CD 1001734.

 

1986. World Philharmonic orkest o.l.v. Lorin Maazel. AMG AVCD 6113.

1987. Birmingham symfonie orkest o.l.v. Simon Rattle. EMI 749.178-2, 585.538-2.

 

1988. Royal philharmonic orkest o.l.v. Antál Dorati. ASV CDQS 6031.

 

1989. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Bernard Haitink. Philips 426.317-2.

 

1990. Filharmonisch orkest van de Belgische omroep o.l.v. Alexander Rahbari. Naxos 8.554060.

 

1990. Concertgebouworkest o.l.v. Carlo Maria Giulini. Sony SK 45935.

 

1992. Chicago symfonie orkest o.l.v. Pierre Boulez. DG 437.850-2.

 

1992. Londens symfonie orkest o.l.v. Kent Nagano. Virgin 561.848-2, 545.032-2.

 

1995. Kirov orkest o.l.v. Valery Gergiev. Philips 446.715-2.

 

1998. San Francisco symfonie orkest o.l.v. Michael Tilson Thomas. RCA 09026-68898-2 (3 cd’s).

 

1996. Philharmonia orkest o.l.v. Robert Craft. Naxos 8.557500.

 

1998. Oslo filharmonisch orkest o.l.v. Mariss Jansons. Simax PCS 1188.

 

2000. Stedelijk orkest Granada o.l.v. Josep Pons. Harmonia Mundi HMC 90.1728.

 

2005. Orkest van de Vlaamse omroep o.l.v. Yoel Levi. Glossa GCDSA 922201.

 

2006. Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons. RCO Live RCO 08002.

 

2007. Nationaal orkest van Pays de la Loire o.l.v. Isaac Karabchevsky. Calliope CAL 9383.

 

2009. BBC Orkest Wales o.l.v. Thierry Fischer. BBC SIGCD 165.

 

2009. Birmingham symfonie orkest o.l.v. Andris Nelsons. Orfeo C 804101 A.

 

2010. Les Siècles o.l.v. François-Xavier Roth. Actes Sud ASM 06.

 

2011. Capitole orkest Toulouse o.l.v. Tugan Sokhiev. Naïve V 5192.

 

2011. Bergen filharmonisch orkest o.l.v. Andrew Litton. BIS SACD 1874.

 

2012. Parijs’ Opera orkest o.l.v. Philippe Jordan. Naïve V 5332.

 

2012. Los Angeles filharmonisch orkest o.l.v. Gustavo Dudamel. DG 479.15508.

 

2008. Los Angeles filharmonisch orkest o.l.v. Esa-Pekka Salonen. DG 477.83633.

 

 …… Fins omroeporkest o.l.v. Yoel Levi. Glossa GCDSA 922001.

 

Pianobewerking

 

…… Igor Stravinsky. Dal Segno DSPRCD 007.

 

1981. Dag Achatz. BIS CD 188.

 

2002. Idil Biret. Naxos 8.555999.

 

2012. Lydia Jardon. Arre-se AR 2012-1.

 

Suite

 

1927. Philadelphia orkest o.l.v. Leopold Stokowski. Biddulph WHL 005.

 

1928. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Oskar Fried. Arbiter 153.

 

1935. Philadelphia orkest o.l.v. Leopold Stokowsky. Dutton CDAX 8002.

 

1940. New York filharmonisch symfonie orkest o.l.v. Igor Stravinsky. Sony 88765-44269-2 (2 cd’s). 

 

1943. Filharmonisch symfonie orkest o.l.v. Dimitri Mitropoulos. Music & Arts CD 1213.

 

1950. Concertgebouworkest o.l.v. Pierre Monteux. Tahra TAH 541/2 (2 cd’s).

 

1950. New York filharmonisch orkest o.l.v. Leopold Stokowski.  Cala CACD 0549.

 

1956. Parijs’ Conservatorium orkest o.l.v. Pierre Monteux. Decca 480.7089. 

 

1956. Concertgebouworkest o.l.v. Eduard van Beinum. Retrospective RET 044..   

 

1957. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Leopold Stokowski. Angel CDM 65207, EMI 769.116-2.

 

1957. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Lorin Maazel. Urania WS 121.104 (2 cd’s).

 

1957. New York filharmonisch orkest o.l.v. Leonard Bernstein.Sony SMK 60694.

 

1958. WDR Symfonie orkest Keulen o.l.v. Sergiu Celibidache. Orfeo C 725085 R.

 

1958. SWR Symfonie orkest o.l.v. Jascha Horenstein. Vox 7804.

 

1960. Royal philharmonic orkest o.l.v. Hermann Scherchen. IMG 575.956-2. 

 

1961. Concertgebouworkest o.l.v. Bernard Haitink. Philips AY 835144 (lp),

 

1962. Orkest van de Italiaanse omroep Turijn o.l.v. André Cluytens. Arts 43055-2.

 

1966. Frans Nationaal orkest o.l.v. Jascha Horenstein. Music & Arts CD 1146.

 

1967. Columbia symfonie orkest o.l.v. Igor Stravinsky. Sony 88697-10311-2.

 

1972. Philharmonia orkest o.l.v. Carlo Maria Giulini. Warner 993739-2 (17 cd’s).

 

1972. Londens symfonie orkest o.l.v. Claudio Abbado. DG 415.854-2, 453.085-2 (2 cd’s).

 

1976. WDR Symfonie orkest Keulen o.l.v. Karl Böhm. Audite 95.591.

 

1978. Philadelphia orkest o.l.v. Riccardo Muti. EMI 747.099-2.

 

1978. Atlanta symfonie orkest o.l.v. Robert Shaw. Telarc CD 80039. 

 

1984. Israel filharmonisch orkest o.l.v. Leonard Bernstein. DG 415.127-2, 445.538-2 (2 cd’s).

 

1985, Londens filharmonisch orkest o.l.v. Georg Solti. LPO 0025.

 

1985. Los Angeles filharmonisch orkest o.l.v. Erich Leinsdorf. Sheffield Labs CD-24.

 

1987. Londens symfonie orkest o.l.v. Gennady Rozhdestvensky. Nimbus NI 1749, 5714.

 

1987. Duits symfonie orkest o.l.v. Günter Wand. Profil PH 10041.

 

1990.Boedapest Festival orkest o.l.v. Iván Fischer. Hungaroton HCD 31095.

 

1990. Orkest van de Belgische omroep o.l.v. Alexander Rahbari. Naxos 8.55063. 

 

1991. Bergens filharmonisch orkest o.l.v. Dmitri Kitaenko. Virgin 561.901-2.

 

1991. Baltimore symfonie orkest o.l.v. David Zinman. Telarc CD 80270.

 

1994. Weens symfonie orkest o.l.v. Wolfgang Sawallisch. Orfeo C 04483 A.

 

1995. Concertgebouworkest o.l.v. Riccardo Chailly. Decca 458.142-2,  473.731-2.

 

1999. Symfonie orkest van de Beierse omroep o.l.v. Lorin Maazel. BR Klassik 900708 (7 cd’s).

 

2002. Cincinatti symfonie orkest o.l.v. Paavo Järvi. Telarc CD 80587.

 

2004. Symfonie orkest van de Beierse omroep o.l.v. Mariss Jansons. Sony 82876-70326-2.  

 

2007. New York filharmonisch orkest o.l.v. Lorin Maazel. DG 477.7175.

 

2009. Australisch ballet o.l.v. Graeme Murphy. ABC 076-277-9 (2 cd’s).

 

2010. Monte Carlo filharmonisch orkest o.l.v. Yakov Kreizberg. OPMC 001 (3 cd’s).

 

2010. Boedapest Festival orkest o.l.v. Iván Fischer. Channel Classics CCS SA 32112.

 

2010. Oekraïns nationaal orkest o.l.v. Nicola Giuliani. BAIR BAM 2033.

 

2011. Moskou’s Symfonie orkest o.l.v. Alexei Kornienko. TYX Art TXA 12004.

 

Bewerking Jeffrey Shumway voor 5 piano’s

 

2005. The 5 Browns. RCA 82876-77255-2. 

 

Bewerking voor 2 piano’s

 

1983. Emile Naoumoff. Orfeo C 44831 A.

 

Voor trombone en piano

 

1998. Christian Lindberg en Roland Pöntinen. BIS CD 988.

 

Voor piano

 

1990. Ralf Gothóni. Ondine ODE 753-2.

 

2013. Maria Lettberg. Es-Dur ES 2048.

 

Met spreker

 

1973. Gijs Scholten van Aschat met het Londens filharmonisch orkest o.l.v. Bernard Haitink. Philips 257.3988.

 

Orgelbewerking

 

1996. Pierre Pincemaille. Solstice SOCD 153.

 

Video

 

1982. Deens ballet o.l.v. Poul Jørgensen ArtHaus 100.130 (dvd).

 

1993. Staatskapel Dresden o.l.v. Rudolf Kempe. Berlin Classics BC 1401 (dvd). 

 

2000. Chicago symfonie orkest o.l.v. Pierre Boulez. TDK DV-MTKB 80 (dvd).

 

2001. Weens filharmonisch orkest o.l.v. Valery Gergiev. TDK DV-VPOVG (dvd).

 

2001. Covent Garden ballet o.l.v. John Carewe. Opus Arte OA 0832 D (dvd).

 

2002. Kirov ballet o.l.v. Valery Gergiev. ArtHaus 100.392 (dvd).

 

2004. Bolshoi theater ensemble o.l.v. Andrey Chistiakov. Decca 079-322-9 (dvd).

 

2008. Luzern Festival orkest o.l.v. Claudio Abbado. DG 073-4530 (dvd).

 

2008. Mariinsky theaterorkest o.l.v. Valery Gergiev. Bel Air BAC 041 (dvd).

 

2008. Orchestre de Paris o.l.v. Pierre Boulez. Idéale audience 3078628 (dvd).

 

2011. Capitole orkest Toulouse o.l.v. Tugan Sokhiev. Naïve V 5192 (dvd).

 

2011. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Simon Rattle. EuroArts 205872-4 (dvd).

 

2012. Orchestre de Paris o.l.v. Paavo Järvi. Electric Picture EPC 05 DVD (dvd).

 

Suite

 

1965. Philharmonia orkest o.l.v. Igor Stravinsky. Opus Arte OA 0832 D, EMI 490.110-9 (dvd).

 

2011. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Simon Rattle. EuroArts 205872-8 (dvd).