TCHAIKOVSKY: VIOOLCONCERT

TCHAIKOVSKY: VIOOLCONCERT

 

 Kan men muziek horen stinken? Dat vroeg de beruchte Weense criticus Eduard Hanslick zich nogal schaamteloos af nadat hij het vioolconcert van Tchaikovsky de eerste keer had gehoord. Desondanks stond het werk niet een internationale zegetocht in de weg. Een merkwaardig werk is wel met een beginthema dat in het hele eerste deel niet terugkeert en met de pakkende koperfanfares in de doorwerking van dat deel. 

 

Achtergronden

Juli 1877. Tchaikovsky (38) verkeerde in een sombere toestand. Ontmoedigd door mislukte pogingen om hem van zijn homoseksualiteit te “genezen” via een rampzalig huwelijk met de Moskouse conservatorium studente Antonina Milyukova zocht hij zijn heil in het wijnbouwers stadje Clarens aan het Meer van Genève. Ontslagen van zijn verplichtingen aan het conservatorium en met een toelage van zijn beschermvrouw madame Nadezhda von Meck was het voor Tschaikovsky en zijn jongere broer Modest mogelijk om Italië en Wenen te bezoeken. De vierde symfonie en Eugen Onegin werden voltooid gedurende hun reizen voordat ze in maart 1878 naar Clarens terugkeerden. Nog steeds gedeprimeerd begon Tschaikovsky aan een nieuwe pianosonate, maar de komst van de jonge violist Yosif Kotek (een vroegere student en discipel van Joseph Joachim) werkte Tchaikovsky’s haperende creativiteit weer tot leven en fungeerde als katalysator voor wat in opmerkelijk korte tijd zijn vioolconcert op. 35 zou worden. Het werd een ware opvolger van de virtuoze showstukken van violistcomponisten als Paganini, Wieniawski en Vieuxtemps en een werk dat een plaats verdiende naast de meesterwerken in dit genre van Beethoven, Mendelssohn, Brahms en Bruch.Kotek inspireerde meer nieuwe composities, onder andere ook Edouard Lalo’s Iberische tour de force, de Symphonie espagnole op. 21, die Tchaikovsky mede tot zijn vioolconcert inspireerde. Vol enthousiasme en aangespoord door Koteks aanmoedigingen en technische adviezen, begon Tchaikovsky 17 maart aan het werk. Elf dagen later waren al de schetsen voor alle drie de delen klaar en waren Kotek en de componist in staat om de embryo van het werk aan Modest voor te spelen. Deze deelde de twijfels van Kotek over het oorspronkelijke andante. Tchaikovsky trok het terug (het werd later de Méditation uit zijn Souvenir d’un lieu cher op. 42) en componeerde binnen één dag (5 april 1878) een vervangend deel, de weemoedige canzonetta. De orkestratie van het hele werk was 11 april gereed.Tchaikovsky overwoog een opdracht aan de Hongaarse virtuoos Leopold Auer (1845-1930), een beroemd pedagoog en leraar van onder andere Jascha Heifetz, Mischa Elman, Efrem Zimbalist, Toscha Seidel en Nathan Milstein. Maar Auer verwierp het werk, dat hij “onviolistisch” vond, waarmee hij de componist diep beledigde. Kotek beloofde toen snel dat hij de première in Sint Petersburg wel voor zijn rekening zou nemen 22 maart 1879. Maar vrienden waarschuwden hem dat een dergelijke verdediging wel eens verkeerd zou kunnen worden opgevat door de roddelende society in de Tsarenstad: Tchaikovsky’s recente gedrag was nog omring met schandaal.Kotek trok zich vlot terug, waarna het aan de 31-jarige Adolph Brodsky was om tijdens zijn debuut in Wenen onder Hans Richter 4 december 1881 het werk ten doop te houden. De voorbereiding liet veel te wensen over. Tijdens de enige repetitie worstelden de musici om de fouten uit hun partijen te corrigeren en om Brodsky pianissimo te begeleiden om hun fouten te camoufleren. De gevreesde criticus Eduard Hanslick, een meester in het schelden en doyen van het rond Brahms heersende conservatisme, oordeelde vernietigend. “Door Tchaikovsky’s vioolconcert worden we geconfronteerd met de afschuwelijke mogelijkheid dat er muziek bestaat die hoorbaar stinkt in het oor… het is barbaars vreselijk! – de viool wordt niet langer bespeeld maar in stukken gereten!” De latere historie zag dat anders. Ironisch genoeg blijken de kwaliteiten waarom het concert destijds geen genade vond – de uitdagende virtuositeit, de weelderige melodische inventie en de pure verve – in de latere appreciatie juist erg gewaardeerd te worden, waardoor het werk een ereplaats in de literatuur van het genre verwierf.Zelfs Leopold Auer, de man die het werk aanvankelijk onspeelbaar noemde, veranderde van mening en werd later een van de grootste voorvechters van het concert. Hij herzag het zelfs hier en daar en maakte het nog moeilijker. Auers wijzigingen zijn terug te vinden in de vertolkingen van Jascha Heifetz, sommige zijn verwerkt in de standaard tekst. Professor Auers “Petersburgse werkplaats” heerst drie decennia lang en definieerde menig violistisch ideaal opnieuw. Ook legde die school de fundamenten voor de moderne Russische vioolschool met vertegenwoordigers als David Oistrakh, Leonid Kogan, Oleg Kagan, Gidon Kremer en anderen.Los van de ongewone structuur combineert Tschaikovsk’s vioolconcert epische proporties met klassieke economie, pyrotechnische orkestratie en een solopartij die op maat is gesneden voor de ware virtuoos. Het Allegro moderato begint met een roep om aandacht, die net als in de grootse inzet van het eerste pianoconcert verder niet meer wordt gehoord. Na een kort gedeelte voor het hele orkest speelt de solist een afgeleide van het beginidee dat het eerste thema vormt. Een contrasterende lyrisch gevoelvolle tweede groep (in A-groot) bereidt de weg voor een herhaling van het eerste thema, nu als een triomfantelijke polonaise voor het hele orkest. Deze keert terug na een brugpassage voor de solist bij wijze van ontwikkeling die dan overgaat in de cadens (ongewoon volledig uitgeschreven) die wederom tot de recapitulatie voert (solofluit). Dan volgt een briljant en meeslepend coda.Het langzame deel, een weemoedige canzonetta in g-klein gaat direct over in de finale en een andere korte solo cadens introduceert dansachtig materiaal dat aan een drukke kozakkendans herinnert. Een tweede episode met een rustieke dreunbas (in kenmerkende zigeunerstijl) met een contrasterend nostalgieke spoor verlopen snel via passages vol opwinding naar een explosief slot.Interessant is nog wel het contrast met het ongeveer tezelfdertijd ontstane vioolconcert van Brahms (net als ook dat van Beethoven in D-groot). Waar bij Brahms spanning en dwang de essentie uitmaken, schept Tschaikovsky een moeiteloos schijnende liedachtige solopartij binnen een orkestpartij vol lawaaierige energie en ruige melodiek. Waar het concert van Brahms zich voltrekt als een nauwkeurig beschreven dialoog, is dat van Tschaikovsky meer als een ongedwongen duet voor solist en orkest. 

 

De opnamen

Met meer dan 85 thans beschikbare opnamen kan iedereen makkelijk de opnamen van zijn favoriet(en) eruit pikken. Wie inderdaad uitgesproken voorkeuren heeft, is het beste af. Gevoeglijk kan dan een blinde vlek voor andere grootse vertolkingen worden getoond. In het enorme mer à boire vol opnamen van Tchaikovsky’s vioolconcert zwemmen veel bekende en minder bekende grootheden rond. Sommige komen elkaar op verschillende leeftijd tegen: Chung, Francescatti, Händel, Heifetz, Hudecek, Kogan, Milstein, Oistrakh, Perlman, Stern, Tretjakof en Vengerov.   Dan zijn er heel oude bekenden als Campoli, Elman en Morini…. En dan hebben we het nog niet eens over onbekenden als Anghelescu, Croitoru, Ishikova, Kashimoto, Körner, Prihoda, Rybar, Schaeffer, Shkolnikova, Silverstein, Waimar en Zarins die in de lijst ontbreken.Het vioolconcert van Tchaikovsky heeft het voordeel van een duidelijke uitvoeringstraditie die goeddeels te traceren is. Voor historisch geïnteresseerden vormt de uitviering van Mischa Elman met Barbirolli uit 1929 een verplichte ervaring. De verdoeking van de 78t. platen (Pearl) is goed gelukt. Zoals opgemerkt nam Jascha Heifetz het werk verschillende malen op. Vooral zijn versie met het Chicago symfonie orkest onder Fritz Reiner kreeg een legendarische status, de opname met het Philharmonia orkest onder Walter Süsskind uit 1950 is voor hem goede tweede.Fans van David Oistrakh zijn haast het beste af met zijn door Sony heruitgebrachte lezing met het Philadelphia orkest onder Eugene Ormandy: spel van een uiterste distinctie met een aantrekkelijke gloed. De DG opname van hem met Franz Konwitschny uit 1954 is als tweede keus van hem ook de moeite waardVan Christian Ferras is de mooi gearticuleerde, dynamische uitvoering met Herbert von Karajan op DG uit 1965 verkieslijk boven de eerdere Franse met Constantin Silvestri. Wat Isaac Stern betreft: zijn uitvoering met Ormandy is het mooist. Bij de ouderen verdient Ida Händel ook de aandacht, zeker haar door Dutton opgepoetste opname.Milstein geeft aan het overbekende werk een onverwacht aristocratische wending, maar hij is soms wat gemaniëreerd; Claudio Abbado begeleidt sympathiek op een nog steeds heel mooi klinkende DG plaat. Ook hoog op de lijst van favorieten stond indertijd de lezing door Arthur Grumiaux met het Concertgebouworkest onder Bernard Haitink (Philips).Heel bijzonder is en blijft het helaas jong gestorven wonder Michael Rabin. Een fenomenaal solist in dit werk en iemand die zeker moet worden beluisterd. Dat geldt ook voor Viktoria Mullova op een prachtig geregistreerde Philips cd. Imposante violistiek, zij het wat aan de koele kant. Pinchas Zukerman brengt ook een grote dosis felle bekwaamheid met zich mee maar ook een zekere mate aan onnaspeurlijkheid in een adembenemende live opname met het Israel filharmonisch orkest onder Zubin Mehta, maar in laatste instantie mankeert het wat aan engagement.Ook Takako Nishizaki marginaliseert het werk teveel en is te emotieloos (Naxos). ASV bracht een prachtige verklanking van de hier onbekende Xue-Wei uit: veel passie en drama, een intuïtief flair en een ingeleefde begeleiding door collega violist Salvatore Accardo zijn de grote pluspunten. Jammer dat de opname zelf niet optimaal is.En dan: vergeet alle hypes over teenagers en wonderkinderen. Sarah Chang en Leila Josefowicz symboliseren de huidige in de broeikas gekloonde productielijn van  virtuoos ethos en vertolkingen vol bijna sensationele technische toverkunsten maar – jammer het te moeten vaststellen – met weinig muzikale en emotionele substantie. Van dit tweetal is Chang de interessantste met haar pure toon en haar heldere kleuren. Wat dat betreft is Midori met haar live opname al overtuigender: dichterlijker, maar ook virtuozer en met een gedurfd langzame canzonetta, maar het beste in deze categorie zijn de aanstormende Russen als Vadim Repin (er wordt op hem teruggekomen!) – die in zijn eerste opname uit 1994 haast opvallend ingetogen, teer maar waar nodig ook bravoureus te werk gaat; zijn toon is slank - en de nog poëtischer Maxim Vengerov. Zij tonen ook gevoel en een dichterlijke inslag, vooral Vengerov. Hij is buitengewoon geïnspireerd en werpt nieuw licht op het overbekende materiaal. Deze toegevoegde waarde is anno 2000 best bijzonder. Hij speelt gedurfd, kernachtig, met jeugdige brille, maar schittert evenzeer in zachte passages. De canzonetta klinkt bij hem door en door Russisch, de finale frappant lichtvoetig bij een transparante begeleiding.Piepjong (17) was David Garrett  - van wie sindsdien nauwelijks meer wat werd gehoord – toen hij met feilloze techniek en milde toon dit concert vastlegde met een sympathiek begeleidende Pletnev: veel specifiek Slavisch gevoel breekt hier door en het langzame deel is net mooi geëmotioneerd. Een onbekende jonge grootheid is ook de Tsjech Pavel Sporcl die niet alleen heel extravert virtuoos te werk gaat, maar die ook prachtige pianissimi laat horen en een heel mooi getemperd gevoelige canzonetta. Een heel spontane, enthousiaste uiting. Bij de jongeren is daar verder Ilya Gringolts met een virtuoze verklanking vol lef en enige dichterlijke vrijheden, maar zonder veel blijken van een eigen persoonlijkheid. Hij streelt de langzamer gedeelten en hamert de virtuoze eruit. Het ontbreekt in laatste instantie ook wat aan finesse. Perlman begeleidt sympathiek, maar een echte dirigent zou het geheel beter in de hand hebben gehouden.Bij de rijpere jongeren is ook Nigel Kennedy niet te verachten in een vertolking die getuigt van een superieure techniek en toegewijde muzikaliteit. En verder een Joshua Bell die een zeer positieve indruk maakt, net als overigens Gil Shaham, Frank Peter Zimmermann en de eerder wat bedachtzame Julian Rachlin. Opvallend zijn bij hem de blijkbaar zelfbedachte echo effecten in de lyrische episodes van de canzonetta en de finale. Alle interpretatieve ingrediënten afwegend, wint Shaham met een geringe marge. Opvallend in dit gezelschap ook weer Christian Tetzlaff met een frisse benadering vol lyrische gloed. De aanpak is aan de lichte kant, de cadens uit het eerste deel wordt met zoveel fraai detail een hoogtepunt en de nostalgieke teerheid van het langzame deel is heel bijzonder. Maar tot voor kort waren twee andere voorkeuren bij de rijpere solisten aan het eind van de lange vergelijkende rit duidelijk.EMI’s opname van Itzhak Perlman is van speciaal belang omdat deze zijn eerste bezoek aan de Sovjet Unie in 1990 documenteert; het was tevens het eerste gastoptreden van het Israel filharmonisch orkest daar. De opname ademt een feestelijk-gespannen sfeer van een grote gebeurtenis. Nadeel is wel de inbreng van het publiek, niet alleen met applaus. Men moet wel weten dat langzaam handgeklap in Rusland juist extra enthousiasme betekent! De concertopname werd in Leningrad gemaakt. De interpretatie zelf bezit een door adrenaline gevoede frisson vol drama. De opname plaatst de solist mooi in het midden, het orkest klinkt wat op de achtergrond en de zeer directe microfoonbalans maakt alles haast meer dan levensgroot. Maar dat heeft het voordeel dat iedere nuance en buiging fijn uitkomen. Een kolossaal resultaat.En dan is daar Kyung-Wha Chung met twee – allebei heel mooie – opnamen op haar naam. De latere uit Montréal heeft zeker ook dankzij de prachtige akoestiek van de St. Eustache kerk aldaar de nog wat betere geluidskwaliteit. In menig opzicht geeft de Koreaanse de meest bevredigende verklanking omdat alle wezenlijke ingrediënten in de juiste mengverhouding aanwezig zijn. Geen twijfel aan haar mechanistische bekwaamheden die geheel ten dienste staan van een geëngageerde manier van muziek maken. Ook aan stimulerende impulsiviteit ontbreekt het niet. De hoekdelen klinken gespierd maar ook rank, vol verve en de canzonetta bezit melancholieke gratie en bekoorlijke charme. Een altijd nog geweldige prestatie.En dan komt – april 2003 – ineens de enorm gerijpte Vadim Repin met een verbluffende herkansing in de sfeer van de musicalsong ‘Anything you can do, I can do better’. Dat geldt niet alleen ten opzichte van zijn solistische rivalen, maar ook in de muzikale strijd met dirigent en orkest (concert komt tenslotte van concertare, wedijveren). Twee dynamo’s die wederzijds vonken genereren. Een volmaakte intonatie, een haast tomeloze virtuositeit, een felle attaque, bijtend scherpe accenten, maar ook veel verfijning en waar nodig rust kenmerken deze van veel reserves en zelfvertrouwen getuigende, ook qua timing, kleuring, frasering en al die andere eerder vinologisch georiënteerde begrippen blijkgevende soevereine vertolking. Een paar dichterlijke vrijheden, zoals de aarzelende pizzicati aan het begin van de finale en de weer eens te prominent opgenomen solostem vergeeft men bij een zo stimulerende belevenis graag. 

 

Conclusie

Een absolute “winnaar” aanwijzen is bij een zo populair, veel opgenomen werk met zoveel inbreng op het allerhoogste niveau onmogelijk, al gooit Repin II (Philips) momenteel feitelijk de hoogste ogen. Er is in dit geval veel voor te zeggen om andere jongeren als Vengerov en in iets mindere mate Chang, Mullova, Tetzlaff, Midori, Garrett en Shaham (in deze volgorde) een kans te geven. Wie op traditioneel safe  en gemoedsrust wil spelen, is vermoedelijk het beste af met Chungs tweede versie met Dutoit of met Perlman en Milstein/Abbado. Maar beluister vooral ook eens Heifetz/Babirolli uit 1937. 

 

Discografie

Salvatore Accardo met het BBC symfonie orkest o.l.v. Colin Davis. Philips 420.717-2, 456.187-2. 1975

Ruben Aharonian met het Russisch filharmonisch orkest o.l.v. Konstantin  Krimets. Arte Nova 74321-39110-2. 1996

Pierre Amoyal met het Londens filharmonisch orkest o.l.v. Charles Dutoit. Erato 2292-45971-2, 0630-12821-2, 4509-92865-2. 1981

Joshua Bell met het Cleveland orkest o.l.v. Vladimir Ashkenazy. Decca 421.716-2.

Vadim Brodsky met het Omroeporkest Katowice o.l.v. Andrzey Straszynski. Arts 47144-2

.Jevgeni  Buschkov met het Slowaaks filharmonisch orkest o.l.v. Alexander Rahbari. Koch Discover 920.122. 1993

Alfredo Campoli met het Londens symfonie orkest o.l.v. Ataulfo Argenta. Beulah 3PD 10. 1956

Sarah Chang met het Londens symfonie orkest o.l.v. Colin Davis. EMI 754.753-2. 1992

Leland Chen met het NDR omroeporkest Hannover o.l.v. Leonid Kogan. Berlin Classics 1169-2.

Kyung-Wha Chung met het Londens symfonie orkest o.l.v. André Previn. Decca 425.080-2, 452.325-2. 1970

Kyung-Wha Chung met het Montréal symfonie orkest o.l.v. Charles Dutoit. Decca 410.011-2, 430.725-2, 448.107-2. 1981

Mischa Elman met het Londens symfonie orkest o.l.v. John Barbirolli. Pearl GEMMCD 9388. 1929

Christian Ferras met het Philharmonia orkest o.l.v. Constantin Silvestri. Testament ASD 278. 1957

Christian Ferras met het Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Herbert von Karajan. DG 429.166-2.

Zino Francescatti met het New York filharmonisch orkest o.l.v. Artur Rodzinsky. Music &  Arts CD 1118. 1948

Zino Francescatti met het New York filharmonisch orkest o.l.v. Dimitri Mitropoulos. Sony 62339, 45700. 1965

Zino Francescatti met het New York filharmonisch orkest o.l.v. Thomas Schippers. Sony 63281. 1965

Eric Friedman met het Londens symfonie orkest o.l.v. Seiji Ozawa. RCA VD 60491, 74321-17900-2.

David Garrett met het Russisch nationaal orkest o.l.v. Mikhael Pletnev. DG 471.428-2. 2001

Ivry Gitlis met het Weens symfonie orkest o.l.v. Heinrich Hollreiser. Vox CDX 25505-2. 1953

Ilya Gringolts met het Israel filharmonisch orkest o.l.v. Itzhak Perlman. DG 471.616-2. 2001

Ilja Grubert met het Moskau filharmonisch orkest o.l.v. Vassily Sinaiski. Chant du Monde 288054, 388.055/7, 788054. 1992

Arthur Grumiaux met het Philharmonia orkest o.l.v. Jan Krenz. Philips 442.287-2. 1975

Ida Händel met het Nationaal symfonie orkest o.l.v. Basil Cameron. Dutton CDK 1204. 1945

Ida Händel met het Royal philharmonic orkest o.l.v. Eugene Goossens. Testament SBT 1038. 1957

Jascha Heifetz met het Londens filharmonisch orkest o.l.v. John Barbirolli. EMI 764.030-2, Biddulph LAB 026, Pearl GEMMCD S 9157, Naxos 8.110.938. 1937

Jascha Heifetz met het Philharmonia orkest o.l.v. Walter Süsskind. RCA 09026-61738-2. 1950

Jascha Heifetz met het Londens filharmonisch orkest o.l.v. Thomas Beecham. RCA 09026-61749-2. 1937

Jascha Heifetz met het Chicago symfonie orkest o.l.v. Fritz Reiner. RCA 09026-61743-2, 09026-61495-2. 1957

Latica Honda-Rosenberg met het Slowaaks filharmonisch orkest o.l.v. Keith Clark. Naxos 8.550.124. 2000

Bronislav Huberman met de Berlijnse Staatskapel o.l.v. Wilhelm Steinberg. EMI 764.855-2, Opus Kura OPK 2007, Naxos 8.110903. 1928

Bronislav Huberman met het Philadelphia orkest o.l.v. Eugene Ormandy. Music & Arts CD 1122. 1946

Vaclav Hudecek met het Praags symfonie orkest o.l.v. Jiri Belohlavek.  Pan 811208-2.

Vaclav Hudecek met het Tsjechisch filharmonisch orkest o.l.v. David Oistrakh. Supraphon 00216-2. 1972

Leila Josefowicz met de Academy of St. Martin-in-the-Fields o.l.v. Neville Marriner. Philips 446.131-2. 1994

Leila Josefowicz met het Montreal symfonie orkest o.l.v. Charles Dutoit. Philips 464.059-2.

Jacques Kantorov met het Londens filharmonisch orkest o.l.v. Bryden Thomas. Denon CO 73325.

Nigel Kennedy met het Londens filharmonisch orkest o.l.v. Okku Kamu. EMI 754.890-2. 1985

Leonid Kogan met het Russisch omroeporkest o.l.v. Vassily Nebolsin. Russian Revelation RV 10019. 1950

Leonid Kogan met het Parijs’ Conservatorium orkest o.l.v. Constantin Silvestri. EMI 767.732-2, 569.695-2, Testament SBT 1224. 1958

Gidon Kremer met het Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Lorin Maazel. DG 459.070-2, 469.271-2. 1979

Mark Lubotsky met het Estlands nationaal orkest o.l.v. Arvo Volmer. Globe GLO 5174.

Vanessa Mae met het Londens symfonie orkest o.l.v. Kees Bakels. Trittico TCMA 27103. 1991

Yehudi Menuhin met het RIAS symfonie orkest o.l.v. Ferenc Fricsay. DG 445.400-2. 1949

Midori met het Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Claudio Abbado. Sony 68338. 1995

Vanya Milanova met het Sofia festival orkest o.l.v. Julian Kovatchef. RS RS 951.0066. 1994

Nathan Milstein met het Chicago symfonie orkest o.l.v. Frederick Stock. Biddulph LAB 063. 1940

Nathan Milstein met het Weens filharmonisch orkest o.l.v. Claudio Abbado. DG 419.067-2, 439.420-2, 453.142-2, 460.619-2. 1972

Erica Morini met het Chicago symfonie orkest o.l.v. Désiré Defauw. Biddulph BID 80168. 1945

Erica Morini met het Royal philharmonic orkest o.l.v. Arthur Rodzinsky. DG/Westminster 471.200-2; Millenium Classics MCD 80101. 1956

Erica Morini met het Nationaal orkest van de Franse omroep o.l.v. Jascha Horenstein. Music & Arts CD 1116. 1957

Viktoria Mullova met het Boston symfonie orkest o.l.v. Seiji Ozawa. Philips 416.821-2, 464.741-2, 464.741-2. 1985

Anne Sophie Mutter met het Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Herbert von Karajan. DG 419.241-2. 1988

Takako Nishizaki met het Slowaaks filharmonisch orkest o.l.v. Kenneth Jean. Naxos 8.550153.

David Oistrakh met het Moskou’ staatsomroeporkest o.l.v. Alexander Gauk. Russian Revelation RDCD 15002, Dante Lys LYS 331/4. 1938

David Oistrakh met het Russisch Staatsorkest o.l.v. Kyril Kondrashin. Melodia 74321-17084-2.

David Oistrakh met de Staatskapel Dresden o.l.v. Franz Konwitschny. DG 423.399-2, 447.427-2. 1954

David Oistrakh met Portugees nationaal orkest o.l.v. Pedro de Freitas Branco. Strauss SP 4084. 1960

David Oistrakh met het Londens filharmonisch orkest o.l.v. Malcolm Sargent. BBC Legends BBCL 4102-2. 1960

David Oistrakh met het Moskou’s filharmonisch orkest o.l.v. Gennadi Rozdestvensky. Melodia 74321-40710-2, 74321-34178-2. 1968

David Oistrakh met het Bolshoi theater orkest o.l.v. Samuel Samosud. Int. Schallarchiv TUX CD 1052.

David Oistrakh met het Philadelphia orkest o.l.v. Eugene Ormandy. Sony 44854, 46339. 1959

Itzhak Perlman met het Philadelphia orkest o.l.v. Eugene Ormandy. EMI 556.150-2, 764.922-2, 767.700-2. 1978

Itzhak Perlman met het Londens symfonie orkest o.l.v. Alfred Wallenstein. Chesky 12.

Itzhak Perlman met het Boston symfonie orkest o.l.v. Erich Leinsdorf. RCA GD 86526.

Itzhak Perlman met het Israel filharmonisch orkest o.l.v. Zubin Mehta. EMI 754.108-2,  491.790-2. 1990

Michael Rabin met het Philharmonia orkest o.l.v. Alceo Galliera. EMI 764.123-2. 1956

Michael Rabin met het Philadelphia orkest o.l.v. William Smith. Philadelphia Orchestra Ass. POA 100. 1961

Julian Rachlin met het Moskou’s omroeporkest o.l.v. Vladimir Fedossejef. Sony 66567. 1994

Vadim Repin met het Londens symfonie orkest o.l.v. Emmanuel Krivine. Erato 4509-98537-2. 1994

Vadim Repin met het Kirov orkest o.l.v. Valery Gergiev. Philips 473.343-2. 2002

Ruggero Ricci met het Omroeporkest Katowice o.l.v. Kees Bakels. Dynamic 500.203.

Gil Shaham met het Philharmonia orkest o.l.v. Giuseppe Sinopoli. DG 437.540-2. 1991

Dmitri Sitkovetsky met de Academy of St. Martin-in-the-Fields o.l.v. Neville Marriner. Hänssler 98346. 1999

Vladimir Spivakov met het Philharmonia orkest o.l.v. Seiji Ozawa. EMI 568.536-2, 572.130-2. 1981

Pavel Sporcl met het Tsjechisch filharmonisch orkest o.l.v. Jiri Belohlavek. Supraphon SU 3709-2. 2003

Isaac Stern met het Philadelphia orkest o.l.v. Eugene Ormandy. Sony 66829. 1958

Isaac Stern met het New York filharmonisch orkest o.l.v. Leonard Bernstein. Sony 47637. 1973

Isaac Stern met het Nationaal symfonie orkest Washington o.l.v. Mstislav Rostropovitch. Sony 641267, 6062 (sacd). 1977

Akiko Suwanai met het Moskou filharmonisch orkest o.l.v. Dmitri Kitaenko. Teldec 0630-19688-2, 4509-97478-2.

Henryk Szeryng met het Concertgebouworkest o.l.v. Bernard Haitink. Philips 438.386-2, 446.203-2. 1976

Christian Tetzlaff met het Russisch nationaal orkest o.l.v. Kent Nagano. Pentatone PTC 518.602-2. 2003

Vanessa-Mae met het Londens symfonie orkest ol.l.v. Kees Bakels. EMI 567.456-2 (3 cd’s). 1991

Viktor Tretjakov met het Moskou’s filharmonisch orkest o.l.v. Neeme Järvi. Melodia 74321-40720-2, CML 2021. 1966

Viktor Tretjakov met Russisch Staatsacademie orkest o.l.v. Mariss Jansons. Russian Revelation RV 10070. 1981

Michail Vaiman met het Leningrad filharmonisch orkest o.l.v. Gennadi Rozdestvensky. BBC 15656-9134-2. 1971

Tibor Varga met het Festival orkest o.l.v. Jean-Marie Auberson. Claves 50-9313. 

Maxim Vengerov met het Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Claudio Abbado. Teldec 4509-90-881-2, 09027-46743-2. 1995

 

Maxim Vengerov met het Londens filharmonisch orkest o.l.v. Mstislav Rostropovitch. Decca 466.00002. 1998

 

Emmy Verhey met het Boedapest symfonie orkest o.l.v. Arpad Joó. Laser 15516.

 

Zino Vinnikov met het Royal philharmonic orkest o.l.v. Yehudi Menuhin. Tring TRP 014. 1994

Takayoshi Wanami met het Philharmonia orkest o.l.v. Anatole Fistoulari. Chandos CHAN 6558.Xue-Wei met het Philharmonia orkest o.l.v. Salvatore Accardo. ASV CDDCA 713.

Frank Peter Zimmermann met het Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Lorin Maazel. EMI 749.758-2.

 

Pinchas Zukerman met het Israel filharmonisch orkest o.l.v. Zubin Mehta. Sony 44643, 64247.

Video

Jascha Heifetz met het New York filharmonisch orkest o.l.v. Fritz Reiner. Teldec 4509-95038-3 (VHS), 4509-95038-6 (ld). 1946

Viktoria Mullova met het Londens symfonie orkest o.l.v. Maxim Shostakovitch. Pioneer PLMCB 800551 (ld)

Itzhak Perlman met het Israel filharmonisch orkest o.l.v. Zubin Mehta. EMI MVD 991.243-3 (VHS). 1990Kyoko Takezawa met het Moskou’s omroeporkest o.l.v. Vladimir Fedossejev. Teldec 09026-60759-3 (VHS).

Viktor Tretjakov met het Moskou’s omroeporkest o.l.v. Viktor Fedossejef. Pioneer PLMCB 800511 (ld).