Componisten portretten

GRANADOS

 

GRANADOS, ENRIQUE (1867 – 1916): PIANO NATURALIST

 

 

 

Er bestaan goede redenen om Enrique Granados in één adem te noemen met Isaac Albéniz en Manuel de Falla, zoals dat gangbaar is in muziekgeschiedenisboeken. Net als zij was hij leerling van de eminente musicoloog Felipe Pedrell in Barcelona die het drietal aanraadde om hun stijl te baseren op de locale volksmuziek. En net als Albéniz en Falla maakte ook Granados een haast verplichte studiereis naar Parijs in de periode 1887/9, het broeinest van de Europese avant-garde.

 

Alle drie werden ze bekwame meesters in het royaal putten uit de plaatselijke volksmelodieën die vervolgens werden verrijkt met een heel sterk gekruid chromatisch idioom dat vaak zijn Franse herkomst verried.

 

Alleen qua temperament bestond nogal verschil tussen het drietal. De spontane warmhartige Granados vertoonde in dat opzicht meer overeenkomst met Albéniz dan met de afstandelijker, droger Falla en de overeenkomsten ging verder. Zowel Albéniz als Granados was concertpianist met een internationale reputatie. Geen wonder dat ze hoofdzakelijk pianowerken schreven en dat hun beider reputatie voornamelijk berust op slechts één concertsuite van hoge kwaliteit: Granados’ Goyescas en Albéniz’ Iberia.

 

Granados begon met het schrijven van aardige salonmuziek en een post-Liszt stijl. Maar de première van zijn orkestversie van drie van zijn Danzas españolas voor piano wekte veel bewondering bij Massenet, Saint-Saëns en vooral ook Grieg. Dat moet heel bemoedigend zijn geweest voor de componist want omgekeerd werd het nationalisme uit Griegs muziek in Spanje hoog aangeslagen. Het was duidelijk dat zich een nieuwe richting in de Spaanse muziek ontwikkelde. Granados die zich uitstekend bewust was van de dominante modes op muziekgebied in Spanje wist dat de beste manier om de aandacht op zich te vestigen bestond uit het schrijven van een zarzuela (de specifiek Spaanse operettevorm) en een paar jaar later, in 1898, schreef hij Maria del Carmen, een heel succesvol werk dat hem zelfs waardering van de koning opleverde.

 

Hoewel hij financieel ook goed boerde met nog meer zarzuela’s besteedde hij gedurende de volgende tien jaar zijn tijd vrijwel net zoveel aan lesgeven en concerteren dan aan componeren. Van tijd tot tijd gaf hij de muziek er zelfs helemaal aan. Hij zei ooit over zichzelf: “Ik ben geen musicus, ik ben een kunstenaar”. En inderdaad hij oogstte ook waardering als schrijver en schilder.

 

Maar ondanks die creatieve afleiding was en bleef Granados primair een musicus en in die rol trad hij bijvoorbeeld ook regelmatig op als begeleider van Pablo Casals en Jacques Thibaud.

 

Begin jaren 1900 schreef Granados een grote verscheidenheid aan stukken die thans meest in de vergetelheid zijn geraakt, maar voortdurend spookte in zijn hoofd het ambitieuze meesterwerk dat hem voor altijd beroemd maakte: Goyescas uit 1911. Na de Franse première in 1914 in de Parijse Salle Pleyel werd hij met roem overladen en kreeg hij ter plekke het Légion d’honneur en de opdracht om voor de Opéra een werk te schrijven dat was afgeleid van de Goyescas.

 

De uitwerking daarvan werd verhinderd door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, maar de Metropolitan Opera in New York toonde ook belangstelling en daar kwam de eenakter op een libretto van Periquet y Zuaznabar in eerste meteen succesvolle uitvoering op 16 januari 1916. Met zijn vrouw was Granados daarvoor naar de V.S. gereisd waar hij zijn verblijf verlengde om voor president Wilson in het Witte Huis op te treden. Het gevolg was dat hij de rechtstreekse boot naar Spanje miste en besloot via Engeland terug te keren. Maar de Sussex die hen van Liverpool naar Dieppe zou brengen, werd door een Duitse duikboot getorpedeerd en tot de slachtoffers behoorden ook Granados en zijn echtgenote. Twee maanden voor zijn dood had de componist nog aan een vriend geschreven: “Ik heb een enorme hoeveelheid ideeën….. nu pas begin ik echt aan mijn werk”.

 

Afgezien van het symfonisch gedicht Dante bestaat het aandeel orkestwerken van Granados voornamelijk uit door derden – Ferrer bijvoorbeeld – georkestreerde delen uit Goyescas en de 12 Danzas españolas. Op kamermuziekgebied is het Pianokwintet misschien nog interessant, maar voor het overige is het primaat aan de pianowerken.

 

Zoals al opgemerkt behoren de in vier groepen verdeelde 12 Danzas españolas die tussen 1892 en 1900 ontstonden. De componist trachtte hier pianomuziek te schrijven die geheel beheerst werd door het karakter van Spaanse dansvormen. Albéniz deed iets dergelijks met zijn werken, maar Granados ging minder wild te keer dan zijn tijdgenoot  in diens Suite española en al maakt hij gebruik van sommige specifieke dansritmen is het resultaat toch vrij stads.

 

In de Goyescas is een fantasiewereld vol voornaamheid en stijl gecreëerd. Alle acht delen uit de suite zijn geïnspireerd door schilderijen van Goya en zelden heeft een componist de daaraan ten grondslag liggende sfeer van schilderijen zo treffend, zo duidelijk en van groot inzicht getuigend in klank gevangen. Alleen Moessorgsky leverde met zijn Schilderijententoonstelling een vergelijkbaar meesterwerk.

 

De achttiende eeuwse Spaanse muziek speelt een belangrijke rol in de klankwereld van Goyescas maar verder is het zoals de Amerikaanse criticus Harold Schonberg schreef: “Het is de algemene karakter van Spaanse ritmen, Spaanse melodiek en het Spaanse leven dat deze muziek zo boeiend maakt”. Soms zijn de elementen van de Andalusische flamenco wat te dominant, maar in het beroemdste deel, ‘Quejas, o la maja y el ruiseñor’ (Het meisje en de nachtegaal) is iedere uitdrukking van de klaaglijke melodie en de arabesque tot slot prachtig en zonder enige overdrijving vormgegeven.

 

 

 

Selectieve discografie

 

Dante; 2 delen uit Goyescas; 5 Piezas sobre cantos populares españolas. Gran Canaria filharmonisch orkest o.l.v. Adrian Leaper. ASV CDDCA 1110. 2000

 

12 Danzas españolas. Alicia de Laroccha. Decca 414.557-2. 1980

 

Goyescas. Alicia de Laroccha. Decca 448.191-2 (2 cd’s). 1976