MONTEVERDI: ORFEO

MONTEVERDI: ORFEO 

Lang vóór Mozart, nog langer vóór Wagner waren de kwellingen die de liefde met zich kan meebrengen al heel welsprekend in operavorm geuit door de renaissance componist Claudio Monteverdi. Zijn werk staat zelfs aan het begin van de ruim vierhonderd jaar oude operakunst. Hoewel de allereerste opera, Dafne van Jacopo Peri (1597) verloren is geraakt, weten we daar wel aardig wat van, deels door het effect dat het werk had, deels ook door diens volgende compositie, Peri’s Euridice (1600), die wel is overgeleverd en die nu voor iedereen toegankelijk is dankzij een opname. 

Achtergronden

Het is een prachtig werk, maar wel aan de erg strenge kant vanwege de dominante recitatiefstijl. Aria’s, koren en dansen komen slechts voor daar waar dat “natuurlijk” het geval zou zijn: herders zouden kunnen dansen om hun blijheid te uiten, een bruiloft zou met een hymne kunnen worden gevierd, maar de conversatie en het verhaal worden in de vorm van recitatieven aangeboden.Dafne was geschreven voor een opvoering op bescheiden schaal in een kamer van de woning van graaf Bardi in Florence (net als de opera is ook dat huis verdwenen, maar met een plaquette is de geboorteplaats van de opera gemarkeerd). Een groepje van Bardi’s vrienden – musici en dichters, amateurs en intellectuelen – kwam regelmatig bijeen om te proberen er achter te komen hoe ooit de oude Griekse toneelstukken werden opgevoerd en – in het verlengde daarvan – om te proberen deze tot nieuw leven te wekken. De deelnemers aan die kring rond Bardi noemden zich Camerata, wat niet meer wil zeggen dan een groep gelijkgestemden. Thans zouden we in goed Nederlands inderdaad van De Groep kunnen spreken.Omdat in de Griekse stukken incidenteel wordt verwezen naar instrumenten en omdat er ook werd gebruik gemaakt van een koor, veronderstelden de Bardianen dat de teksten werden gezongen of in koor werden geroepen. Maar dan wel op een manier die nooit de tekst zou overwoekeren. Recitatieven derhalve, karig begeleid. Aan onderwerpen geen gebrek. Maar op de lijst van de het meest op muziek gezette thema’s uit de wereldliteratuur staat de sage van Orfeus ongeveer bovenaan.De eerste belangrijke opera die slechts tien jaar later ontstond, was Monteverdi’s “Favola in musica” Orfeo, een werk dat zijn eerste opvoering beleefde in Mantua in 1607. Ook daarin wordt hoofdzakelijk gebruik gemaakt van prachtige expressieve recitatieven, maar in andere opzichten overtreft het stuk Peri’s model verre. Ongetwijfeld deels omdat de held uit het werk de god van de muziek is bevat het veel meer van wat wij nu aria’s noemen. Niet minder opmerkelijk – omdat het stuk werd geschreven voor een prestigieuze staatsaangelegenheid met een uit louter aristocraten bestaand publiek waarop de hertog van Mantua indruk wilde maken – is het feit dat het werk is geschreven voor wat toen een groot orkest moet zijn geweest: ruim dertig spelers, waar Peri het met een zestal musici moest stellen.Binnen een tijdsbestek van niet meer dan tien jaar was de opera geëmancipeerd van iets dat het meeste weg had van een intellectuele speculatie, uitgevoerd voor een kleine kring connoisseurs tot een groot, duur spektakel, bedoeld om de weelde en de smaak van de heersende familie in  Mantua, de Ganzaga’s, te demonstreren. Monteverdi was daar hofcomponist, Rubens hofschilder – dit om de proporties aan te geven.Niet lang nadat hij Orfeo had gecomponeerd, verliet Monteverdi de dienst van de hertog van Mantua en toog hij naar Venetië. Hij leidde daar de ceremoniële muziek in de San Marco, maar ging ook verder met het schrijven van opera’s. Alleen niet in de kwistige stijl van Orfeo. Intussen had die opera namelijk een andere wending gekregen. Handige impresario’s beseften namelijk dat dit genre niet alleen een privilege was van de gestudeerden en de rijken, maar dat het heel geschikt was om bij het grote publiek kassuccessen te bereiken. Dra ontstonden diverse commerciële opera instellingen in Venetië en het karakter van de opera veranderde om aan de smaak van het betalende publiek tegemoet te komen. Dat publiek was zeer gesteld op virtuoze zanguitingen, verheven emoties, levendige karakter uitbeelding en platte komedie. Monteverdi’s latere opera’s kwam tegemoet aan die smaak zonder dat hij ooit helemaal datgene opgaf wat hij in zijn pionierwerk Orfeo had nagestreefd. Om economische redenen gebruikte hij wel veel kleinere orkesten.Het verrassende van Orfeo is dat dit werk het zaad bevat van zo ongeveer alles dat gedurende de volgende vierhonderd jaar in de opera gebeurde. Voor velen was de eerste gelegenheid om een volledige uitvoering van dat werk te horen in 1955, toen de uitvoering van August Wenzinger op Archiv lp’s uitkwam. Dat was een openbaring. Honderden operacomponisten hebben sinds 1607 subtiele harmonie, rijke, donkere orkestkleuren en bewerkelijke, golvende melodieën gebruikt om het leed van afscheid en verlies te uiten. Maar – kunnen we ons nog steeds afvragen –uitten Wagner, Verdi en zelfs Mozart dat ooit treffender dan Monteverdi’s Euridice met de simpele woorden die zo hartverscheurend op even simpele muziek zijn gezet: Ahi, vista troppo dolce e troppo amara, Wee mij; veel te zoet en veel te bitter is mij de aanblik;Così per troppo amor dunque mi perdi? Zo verlies je mij tengevolge van overgrote liefde?Ed io, misera, perdo  En ik, ellendige, magIl poter più godere  niet meer terugkeren E di luce e di vita, e perdo insieme  naar het licht en naar het leven en verlies ook nogTe, d’ogni ben più caro, o mio consorte; jou, mijn liefste goed, mijn echtgenoot. Orfeus had zijn Euridice bevrijd van de duistere machten uit de Hades op voorwaarde dat hij niet naar haar zou omkijken terwijl hij haar terugbracht in de gewone wereld. Vervuld van twijfel of zij hem echt wel volgde, keek hij toch om met de bekende fatale gevolgen. Hoe is het mogelijk dat Monteverdi zo de sfeer kan oproepen van de liefhebbende blik in haar ogen wanneer Orfeus zijn gelofte breekt en zich naar haar omdraait? En dan, seconden later, dat verschrikkelijke moment waarop ze wordt weggerukt om nu voor altijd in de eeuwigdurende duisternis te verdwijnen? Om te beginnen vervangt hij plotseling maar eenvoudig de standaard instrumenten die het recitatief begeleiden (klavecimbel, cello en de overmatig grote luit, de chitaronne) door een orgeltje en het stralende geluid herinnert ons eraan dat door de hele opera heen Orfeus  het steeds over de ogen van Euridice had als over “die zalige lichten”. En dan, als ze verdwijnt (als die lichten doven, zoals Orfeus het uitdrukt), zwijgt het orgel en keert het klavecimbel terug; een strengere, wrangere harmonie duidt heel beeldend en in dramatisch opzicht bijzonder effectief de veranderde situatie aan.De evolutie op het gebied van “authentieke” uitvoeringspraktijken is drastisch veranderd sinds de dagen van Wenzinger. Zijn moderne strijkinstrumenten gaven bijvoorbeeld een te rijke klank en sommige van zijn zangers ageren te krachtig en met te Duits accent. Maar dankzij Wenzingers versie was Monteverdi’s Orfeo niet langer slechts een item uit de muziekgeschiedenis, maar werd het werk onthuld als het meesterwerk dat in zijn soort wel werd geëvenaard, maar niet is overtroffen. 

 

De opnamen

Het tweetal echt historische opnamen van vòòr 1950 – Calusio en Koch – heeft eigenlijk vanwege het romantische muziekgehalte en de primitieve klank alleen nog curiositeitswaarde, maar is misschien juist daarom wel interessant om te horen welke enorme ontwikkeling op het gebied van de uitvoeringspraktijk van oude muziek heeft plaatsgevonden.In de diverse hieronder genoemde bezettingen uit de daarop volgende periode vallen drie namen bijzonder op: de jonge tenor Fritz Wunderlich, die in 1955 al aan de Archiv opname van Wenzinger meewerkte en de duivelskunstenares Cathy Berberian, die met de toen nog avontuurlijker Harnoncourt meewerkte. Maar laten we het aanbod eens nader inventariseren. Nigel Rogers komen we met een tussenpoos van zo’n tien jaar twee keer tegen in de titelrol, eerst op Archiv, later op EMI. Met alle waardering vallen in een toegespitste vergelijking de beide versies van Corboz, de wat obscure opname van Garrido en de tweede Archiv-versie van Jürgens als eerste af. Bij de overblijvenden ontbreekt het gelukkig en naar verwachting niet aan contrast.Pickett bijvoorbeeld heeft er niet voor gekozen om Orfeo voorzichtig en subtiel aan te pakken. Hij streeft er vooral naar om de originaliteit en de frisheid van het werk naar voren te brengen. Vergeleken met Gardiner die precisie en levendigheid weet te combineren bij de presentatie van het drama, is Pickett ruiger, gedurfder. Hij toont niet het uiterste aan raffinement, let niet op een perfect ensemble, opteert niet voor extreme tempi en vertrouwt meer op dramatische contrasten in de instrumentatie. In de duistere Sinfonia met zijn zonderlinge en spookachtige chromatiek die aan het begin van de derde akte Orfeo’s aankomst in de onderwereld uitbeeldt, laat Pickett de strijkers zwijgen en gebruikt hij alleen de koperblazers. Als Orfeo heeft John Mark Ainsley mogelijk een minder fluwelige tenor dan Anthony Rolfe Johnson bij Gardiner, maar zijn stem is plooibaarder in de bewerkelijke versieringen van ‘Possente spirto’, Orfeo’s smeekbede aan Charon. Uitblinkster temidden der anderen is Catherine Bott. In Orfeo zingt ze niet alleen de uitgebreide rol van La Musica in de proloog sensueel fraai en heel verleidelijk gekleurd, maar ook de rol van Prosperina en de sleutelrol van de boodschapper, die heel beeldend de dood van Euridice beschrijft.Gardiner brengt op heel effectieve wijze de vaak tegenstrijdige eisen van de authentieke aanpak – toen dit pionierwerk op operagebied op intieme schaal werd vertoond – en de duidelijke grandeur van het concept in evenwicht. Het eenentwintig leden tellende Monteverdi koor uit zo aan de ene kant heel volledig de tragiek uit het werk, terwijl het aan de andere kant het luchtiger commentaar van nimfen en herders lichtvoetig voordraagt. Dat laatste gebeurt bovendien op hoogst puntige manier en niet zelden op topsnelheid. Gardiner is trouwens opnieuw een meester op het punt van timing en dus tempo. De hele aanpak getuigt van grondige voorbereiding en groot engagement. Geen gebrek dus aan levendigheid en dankzij de mooie opname ook aan presence.In de EMI opname speelt Nigel Rogers een dubbelrol. Niet alleen vertolkt hij de hoofdrol, hij fungeert ook als co-producer. In de loop der jaren heeft hij zijn buitengewoon uitvoerige ornamentiek in de smeekaria van de held drastisch ingetoomd, wat de expressie veel vrijer en opener maakt. Zijn van nature nogal flakkerende timbre past wel aardig bij deze rol. De geconcentreerdheid van de hele vertolking is des te groter nu het verhaal zo eenvoudig en beeldend wordt verteld. Neem de klacht van Euridice: die is haast ontroerender nu deze alleen begeleid door een luit zo prachtig door Patrizia Kwella wordt gezongen. De overige solisten vormen een hecht team, hoewel Jennifer Smith als Prosperina te direct is opgenomen waardoor haar ademhaling nogal stoort. De pittigheid van de cornetti geeft een apart genoegen., vooral omdat de rest van de – in de partituur nogal open gelaten – instrumentatie bescheiden is.Harnoncourt komt uiteraard met wat bijzonders. In het ritornello van de proloog lijkt het klinkend resultaat wel op iets van Stravinsky, zo scherp snijden de klanken. Harnoncourt is een stuk strenger dan Gardiner, maar bij wijze van compensatie zijn de simpele en oprechte toewijding van zijn vertolking op zichzelf al pakkend. De solozang biedt niet het uiterste aan karakterisering, maar is wel zuiver en stijlvol. Een uitzondering vormt inderdaad Cathy Berberian als boodschapper. Ze is opvallend succesvol, maar hanteert een enigszins afwijkende stijl zonder buiten het team te vallen. Dankzij het feit dat de opname kraakhelder, vrij droog en scherp gefocusseerd is, komt het schurende effect van de Toccata aan het begin extra markant over.Feller, dramatischer nog dan bij Pickett is de aanpak van Jacobs. Meteen al de toccata aan het begin legt daar getuigenis van af. Zijn Orfeo, Laurence Dale, is een complexe en tamelijk op zichzelf gerichte figuur. Uitstekend ageren ook Efrat Ben-Nun als Euridyce en Musica en Jennifer Larmore in de rol van Messenger; Andreas Scholl is een overtuigende Hoop.Maar nog pakkender is de begin 2004 verschenen versie van Emmanuelle Haïm die kort tevoren ook al voor zo’n geweldige Dido and Aeneas van Purcell zorgde. Van meet af aan is met een bijna agressief grommend koper en bonkend slagwerk in de toccata dat  en iets volbloedigs van plan is (die trom manifesteert zich in bandje 37, 1e cd ook nog een keer dreigend aan het eind van de 1e akte). De toon is ook meteen gezet als Natalie Dessay als La musica op heel heldere, directe en dramatische wijze inzet en – net als de andere vocalisten – zorgvuldige aandacht besteedt aan versieringen. Met Ian Bostridge vond Haïm een bijzondere Orfeo die in staat is tot plotselinge gemoedswisselingen. Zijn ‘Possente spirto’ is een geslaagde tour de force als blijk van de kracht van zang met veel rhetorisch besef. Bij de overige solisten is Patrizia een goede, best overtuigende Euridice, Véronique Gens een dwingende Prosperina en Lorenzo Regazzo een autoritaire Pluto.Bij de goedkope versies valt die van Vartolo op Naxos positief op. Bij de vocale solisten zijn eersterangs krachten. Alessandro Carmignani is een zeer goede, heldere Orfeo die alle technische problemen goed de baas is.. In de soli getuigt zijn voordracht van een toegewijde intensiteit, maar helaas zijn de tempi die Vartolo aanhoudt aan de erg trage kant, zodat het eindresultaat iets van een slaapwandeleffect heeft. Erger is dat de woordenwisselingen tussen de exponenten uit het drama te weinig dramatiek krijgen. In de instrumentale nummers klinken de strijkers nogal schril. Wie bepaalde fragmenten wil uitkiezen, heeft weinig aan het boekje dat vrij consequent verkeerde tracknummers geeft.Tot de nieuwere uitgaven behoort die van het enthousiaste Argentijnse ensemble Elyma, dat met Orfeo ook optrad tijdens het Utrechtse Festival Oude Muziek in 2001. De aanpak is dramatisch, levendig en geëngageerd en de bezetting is een over de hele linie goede, alleen kunnen vraagtekens worden gezet bij een bariton – Victor Torres – in de titelrol en bij de gekozen orkestratie en de toegepaste ornamentiek waardoor het klankbeeld soms nodeloos wordt vertroebeld. Niettemin best een keer het aanhoren waard. En nu, najaar 2007, zijn daar vrijwel gelijktijdig verschenen opnamen van Alessandrini  die met zijn erg levendige aanpak een nogal jachtige, onrustige indruk maakt en merkwaardige opvattingen toont over de stemming en de afwikkeling van cadensen, die in musicologisch opzicht wat lichte twijfels wekt en een uitvoering realiseert waarin sommige rollen met een beperkter zangersareaal zijn gedubbeld. Bij de zangers imponeren Mingardo als Speranza en Boodschapper en Simboli als Euridice en Proserpina het meest. De Orfeo van Zanasi is aan de fletse kant en draagt de uitvoering te weinig. De opname klinkt erg levendig, maar met een te prominente rol voor de slagwerkjes.Cavina’s realisatie vestigt tot op zekere hoogte nieuwe maatstaven en fascineert door de fraai genuanceerde kleurenpracht en de doorstromende vloeiende levendigheid waarmee hij het werk gestalte geeft. Dat komt de expressieve dramatiek zeer ten goede. Eigenlijk al te zelden ontmoeten we een dergelijk type fantasievol musiceren. Zou het iets met de ware italianatà de vanouds grootse Italiaanse vocale kunst te maken hebben?De onbekende, overwegend jonge zangers tonen ook een hoog niveau, feitelijk tot in de kleinste bijrol. De bezetting is homogeen met gelijkwaardig stemmateriaal en voldoende onderling contrast; gedoubleerd wordt gelukkig niet. Het geheel wordt in de huidige standaard toonhoogte uitgevoerd met gedeelten uit de onderwereld een kwart toon verlaging (de chiavette kwestie waarbij in de zestiende eeuw een verandering in de samenstelling der sleutels werd ingevoerd om de voortekening van meer dan twee kruisen en mollen te vermijden). De tempokeus is steeds weloverwogen en passend. Het instrumentarium bevat onder meer violimi piccoli en een regaal (dat soms wat te prominent klinkt), het ontbreekt niet aan stijlvolle versieringen, ook door de zangers en er is gedacht aan effecten achter het toneel, kortom de (klank)regie met goed hoorbare antifone resultaten maakt ook een heel verzorgde indruk.Er wordt over de hele linie fraai gezongen, maar niet altijd op even persoonlijke, doorleefde wijze. In een opera als deze is dat geen zonde en het baritonale tenortimbre van Guadagnini in de titelrol heeft best wat aangenaams. De Liso als boodschapper kondigt de dood van Euridice op treffende wijze aan. Lo Monaco legt als Speranza geen nadrukkelijke dramatische waarde    VideoBij de videoproducties komt de opname van Harnoncourt uit Zürich nauwelijks meer in aanmerking omdat die alleen op tape leverbaar was en niet meer in de Decca catalogus voorkomt. Maar er blijft genoeg over om te kiezen. In chronologische volgorde gaat het om de volgende uitgaven:De door Jacobs geleide opvoering uit het Brusselse munttheater in de regie van Trisha Brown in de geest van Sellars valt helaas vrij snel af door allerlei ongerijmdheden op het toneel, de weinig passende decors en kostuums. Attributen als de zon en een biljarttafel helpen ook niet echt om de geloofwaardigheid te verbeteren. Het einde van het werk is het onmogelijkst want nadat Apollo Orfeus heeft meegenomen richting hemel keert de titelheld nog een keer terug om door Bacchanten echt te worden gedood. Gezongen en gespeeld wordt er wel goed door de bank genomen, maar wat zou het.Hierna is de productie van Gilbert Deflo voor het Gran teatre del Liceu in Barcelona een verademing. De beelden voeren terug naar het Palazzo ducale in Mantua met zijn spiegels en de Arcadische en mythologische clichés zijn mooi ingepast, al had het geheel op wat intiemere schaal en wat minder statisch gekund. In de titelrol is Zanasi vocaal heel overtuigend, alleen straalt hij wat weinig persoonlijkheid uit. Ster van de opvoering is Mingardo als boodschapper, ook Cécile van Sant als Speranza moet met ere worden vermeld. De rest van de bezetting kan er goed mee door en Savall zorgt voor een veerkrachtige, levendige realisatie van de orkestpartij.Komen we in eigen land bij de voorstellingen die in het Amsterdamse Muziektheater gingen in de zomer van 1997 met Pierre Audi als boeiende regisseur die in vernuftige, eenvoudige, schaarse beelden denkt; de handeling voltrekt zich rond een waterplas die door de herders en nimfen echt wordt gebruikt. De eigen fantasie wordt sterk geactiveerd. Met de muzikale afwikkeling in handen van Stephen Stubbs met een internationaal vrij geschakeerde zangersbezetting. De ervaren Hans Hulscher had de beeldregie.De Orfeo van  Ainsley is alles wat men daarvan mag verwachten: heel mooi gezongen, treffend geacteerd. Fink is een voortreffelijke Prosperina, Lascarra een ontroerende Euridice. Twijfels worden eventueel wel gewekt door het stemtype van de counter tenor Chance als Speranza en meer nog door Cordier als manlijke La musica. Des te spijtiger omdat sopraan Le Blanc slechts een paar regels te zingen krijgt in deze rol. Haast de meeste lof moet uitgaan naar het instrumentaal en vocaal ensemble en dirigent Stubbs.De voorlopig nieuwste video opname is van Malgoire, dateert uit oktober 2004 en werd gemaakt in het knusse stedelijk theater in Tourcoing. De regie was in handen van Jacky Lautem, over de aankleding wordt gezwegen, maar deze vertoont wel merkwaardige aspecten. Bijvoorbeeld wanneer Apollo ineens verschijnt als aartsbisschop met mijter. Het gaat om een opvoering met blijken van de Franse slag die niet ongebruikelijk is voor het werk van Malgoire. Hij is op slordigheden te betrappen die hij bij het orkest gewoon laat doorgaan. De bezetting is nogal ongelijkmatig met als besten de elegant klinkende Van Rensburg in de titelrol en Jaroussky als een fraaie Speranza. 

Conclusie

Samengevat: met Gardiner en Medlam, elk met een geloofwaardige, allround fraai gerealiseerde eigen opvatting was men tot begin 2004 op cd gebied het beste af. Daarna voerde de dramatisch èn lyrisch zo levendige versie van Haïm die kraakhelder, zij het enigszins tot scherpte neigend is opgenomen de avontuurlijkste keus. Intussen, najaar 2007, heeft de werkelijk aan vrijwel alle muzikale en uitvoeringstechnische eisen voldoende verklanking van de in alle geledingen op en top levendige Italiaanse groep van Cavina het pleit gewonnen.Bij de dvd opnamen – het zij zonder enige zweem van chauvinisme gezegd – is de stijlvolle, sobere, prachtig gerealiseerde Amsterdamse productie het aantrekkelijkst.   
Discografie

1939. Enrico de Francheschi, Vivante e.a. met het ensemble van La Scala, Milaan   o.l.v. Ferrucio Calusio. Walhall WLCD 0060 (2 cd’s).

1949. Max Meili, Elfriede Trötschel, Gerda Lammers, Werner Kahl, Helmut Krebs e.a. met het RIAS symfonie orkest en -koor  o.l.v. Helmut Koch. Berlin Classics BR 9434-2 (2 cd’s).

1955. Helmut Krebs, Hiilde Mack-Cosack, Margot Guilleaume, Helmut Wild, Jeanne Deroubaix, Fritz Wunderlich e.a. met het Hamburgs staatsakadamiekoor en het zomerfestivalorkest o.l.v. August Wenzinger. Archiv 453.176-2 (2 cd’s).

19… .Emilia Petrescu, Anna Reynolds, James Bowman, John Elwes, Ian Partridge e.a. met het Monteverdikoor Hamburg en de Camerata academica Hamburg o.l.v. Jürgen Jürgens. Archiv 447.703-2 (2 cd’s).

1968. Eric Tappy, Magali Schwartz, Wally Staempfli, Laura Sarti e.a. met het vokaal en instrumentaal ensemble Lausanne o.l.v. Michel Corboz. Erato 4509-98531-2 (2 cd’s).

1983. Nigel Rogers, Patrizia Kwella, Emma Kirkby, Jennifer Smith e.a. met Chiaroscuro o.l.v. Charles Medlam. EMI 747.142-8 en 764.947-2 (2 cd’s).

1984. Lajos Kozma, Rotraud Hansmann, Cathy Berberian, Eiko Katanosaka, Jules Villisech e.a. met koor en Concentus musicus Wenen o.l.v. Nikolaus Harnoncourt. Teldec 2292-42494-2 (2 cd’s).

1985. Gino Quilico, Audrey Michael, Carolyn Watkinson, Shelley Whittingham, Eric Tappy e.a. met  de Chapelle royale Paris en het koor van de Opéra Lyon o.l.v. Michel Corboz. Erato 4509-96958-2, 4509-98531-2 (2 cd’s).

1987. Anthony Rolfe Johnson, Julianne Baird, Lynne Dawson, Anne Sofie von Otter, Nancy Argenta e.a. met het Monteverdikoor en de English Baroque Soloists o.l.v. John Eliot Gardiner. Archiv 419.250-2 (2 cd’s).

1992. John Mark Ainsley, Julia Gooding,Catherine Bott, Tessa Bonner, Christopher Robson e.a. met het New London Consort o.l.v. Philip Pickett. Oiseau Lyre 433.545-2 (2 cd’s).

1995. Laurence Dale, Efrat Ben-Nun, Jennifer Larmore, Andreas Scholl e.a. met Concerto vocale o.l.v. René Jacobs. Harmonia Mundi HMC 901.553/4 (2 cd’s). 1996. Alessandro Carmignani, Marinella Pennicchi, Rosita Frisani, Patrizia Vaccari e.a. met het San Petronio koor en –orkest o.l.v. Sergio Vartolo. Naxos 855.4094/5 (2 cd’s).

1996. Victor Torres, Adriana Fernandez, Maria  Cristina Kiehr, Gloria Banditelli e.a. met Studio di musica Antonio II Verso en het Elyma ensemble o.l.v. Gabriel Garrido. Koch 617066 (2 cd’s).

2003. Ian Bostridge, Natalie Dessay, Patrizia Ciofi, Alice Coote, Christopher Maltman, Véronique Gens, Paul Agnew e.a. met de European voices, Les sacqueboutiers en Le concert d’Astrée o.l.v. Emmanuelle Haïm. Virgin 545.642-2 (2 cd’s).

2004. Kobie van Rensburg, Cyrille Gerstenhaber, Bernard Delétré, Philippe Jaroussky, Renaud Delaigue e.a. met de Grande Ecurie du roy  o.l.v. Jean-Claude Malgoire. Dynamic CDS 477 (2 cd’s).2006. Matteuzzi, Pozzer    met    o.l.v. Vartolo. Brillant Classics 93103 (2 cd’s).

2007. Mirko Guadagnini, Emanuela Galli, Marina de Liso, Cristina Calzolari, Matteo Bellotto, Josè Maria lo Monaco, Salvo Vitale e.a. met La Venexiana o.l.v. Claudio Cavina. Glossa GES 920913E (2 cd’s).

......... Furio ZAnasi, Anna Simboli, Monia Piccinini, Sara Mingardo, Sergio Foresti, Antonio Abete en Luca Dodolo met Concerto italiano o.l.v. Rinaldo Alessandrini. Naïve OP 30439 (2 cd’s). 

Video

…… .Philippe Huttenlocher, Dietlinde Turban, Trudeliese Schmidt, Glenys Linos e.a. met het Ensemble van de Opera Zürich o.l.v. Nikolaus Harnoncourt. Decca 071-103-3 (vhs).

1988. Laurence Dale, Efrat Ben-Nun, Jennifer Larmore, Andreas Scholl e.a. met Concerto vocale o.l.v. René Jacobs. Harmonia Mundi HMD 990.9003/4 (dvd).

1997. John Mark Ainsley, Lascarro,    met      o.l.v. Stubbs. Opus Arte OA 0928D (dvd).

2002. Furio Zanasi, Arianna Savall, Montserrat Figueras, Sara Mingardo, Cécile van de Sant, Antonio Abete e.a.  met La capella reial de Catalunya en Le concert ees nations o.l.v. Jordi Savall. Opus Arte OA  0842D (dvd).

2004. Kobie van Rensburg, Cyrille Gerstenhaber, Bernard Delétré, Philippe Jaroussky, Renaud Delaigue e.a. met de Grande Ecurie du roy  o.l.v. Jean-Claude Malgoire. Dynamic CDS 33477 (dvd).