MAHLER: KNABEN WUNDERHORN, DES
Vergelijkende Discografieen

MAHLER: DES KNABEN WUNDERHORN

 

Mahlers toonzettingen van teksten uit de bundel Des Knaben Wunderhorn vormen als zodanig geen cyclus, doch vormen een verzameling losse liederen die tussen 1892 en 1901 werden geschreven. Het expressieve bereik van deze liederen, waarvan sommige doordrongen in de gedurende dezelfde periode geschreven symfonieën, is opvallend groot, van het trieste Das irdische Leben tot het geestige Lob des hohen Verstandes en het quasi militaristische Der Tambourg’sell. De vertolking van deze liederen wordt in de praktijk doorgaans opgesplitst tussen een vrouwen- en een mannenstem.

 

Achtergronden

 

In 1887 snuffelde Mahler in Leipzig in de bibliotheek van Carl von Weber en vond daar een dichtbundel met de titel Des Knaben Wunderhorn die ooit eigendom was van Von Webers grootvader, de componist. De bewuste gedichten bestonden uit anonieme Duitse volkspoëzie die aan het begin van de negentiende eeuw, tussen 1805 en 1808 was verzameld door twee literatoren uit Heidelberg, Achim von Arnim en diens toekomstige zwager Clemens Brentano. Eerdere componisten als Schumann en Brahms hadden al inspiratie uit de cyclus geput en de teksten voor liederen gebruikt.

Veel van die gedichten waren in de Duitstalige wereld algemeen bekend, dus ook bij Mahler wiens eerste composities uitgerekend liederen – de Lieder und Gesänge (1880-1883) en Lieder eines fahrenden Gesellen (1883-1885) – waren; tussen 1888 en 1901 schreef hij 24 liederen, uitgaande van 26 Wunderhorn teksten. Het eerste negental dat in 1892 werd gepubliceerd was voor stem en piano. De orkestraties kwamen pas later in zwang.

Mahler schreef voor Webers kinderen wat liedjes en integreerde die later in een bundel onder de titel Lieder und Gesänge. Hij besprak het materiaal met Von Weber en samen overwogen ze een opera op basis van Des Knaben Wunderhorn; als een voorbereidende studie voorzag hij ‘Der Schildwache Nachtlied’ van pianobegeleiding. Van dat operaproject kwam niets, maar vier jaar later herzag Mahler dat eerste lied en voegde daar andere Wunderhorn teksten aan toe, aanvankelijk alleen met pianobegeleiding, later ook in georkestreerde vorm. Het door de componist soms lichtelijk gemodificeerde materiaal werd tijdens door Mahler gedirigeerde concerten ook ten gehore gebracht.

In het laatste decennium van de negentiende eeuw, zo tussen 1892 en 1901, bleef de componist bezig met de reeks. Tenslotte bestaat de complete bundel uit 15 liederen. 

 

1 Der Schildwache Nachtlied

2 Verlor’ne Müh

3 Trost im Unglück

4 Wer hat dies Liedlein erdacht

5 Das irdische Leben

6 Des Antonius von Padua Fischpredigt

7 Rheinlegendchen

8 Lied des Verfolgten im Turm

9 Wo die schönen Trompeten blasen

10 Lob des hohen Verstandes

11 Es sungen drei Engel

12 Urlicht

13 Revelge

14 Der Tamboug’sell

15 Das himmlische Leben

 

Min of meer worden daar apocrief en sporadisch nog een doodenkele keer Ablösung im Sommer, Nicht wiedersehen, Ich bin der Welt abhanden gekommen, Scheiden und Meiden, Zu Strassburg auf der Schanz en Selbstgefühl en nog een paar aan toegevoegd waardoor het totaal op vierentwintig zou komen. Maar daarvan is nog nooit een opname gemaakt.

Drie daarvan vonden hun weg in een symfonie: ‘Urlicht’ als vierde deel in symfonie nr. 2, ‘Es sungen drei Engel’ dat de finale met koor als vijfde deel van de symfonie nr. 3 werd en ‘Das himmlische Leben’ (als wat sinistere tegenhanger van ‘Das irdische Leben’) dat als finale van de symfonie  nr. 4 fungeert, maar niet dan nadat Mahler het tijdens een concert separaat had uitgevoerd. Verder is daar het lied over Des Antonius von Padua Fischpredigt dat een onafhankelijk en uitvergroot bestaan leidt als het zuiver orkestrale scherzo uit de tweede symfonie.

Ook in zijn latere symfonieën zijn soms sporen van oorspronkelijke Wunderhorn liederen terug te vinden: Der Tamboug’sell en Lob des hohen Verstands in de vijfde symfonie, Revelge in de zevende. Lied, liederencyclus en symfonie waren bij Mahler nauw verwant en zijn Wunderhorn liederen getuigen net als de latere Rückert Lieder van een symfonische benadering met een verregaande thematische uitwerking en een rijk geschakeerde orkestrale kleurwerking. De soms naïeve teksten, bijvoorbeeld over de moeder met het hongerende kind, het spartelende visje en het rode roosje, spelden als zodanig een belangrijke rol in de ontwikkeling van Mahler als groot componist.

Aan de helft van de gedichten die Mahler uitkoos voor zijn twee Wunderhorn bundels ligt een militair onderwerp ten grondslag hoewel Der Tamboug’sell (1899) over het trommelende soldaatje en Revelge 1901) pas later in 1902, tegelijk met de 5 Rückert Lieder werden gepubliceerd vond de publicatie van het merendeel uit 1892-1898 zoals gezegd a plaats als deel van de 14 Lieder und Gesänge (1880/90). Tenminste vier van die reeks zijn later door Berio georkestreerd. Met een beetje goede wil zijn de 15 liederen in vier groepen in te delen.

Gedurende Mahlers jeugd leefde de familie vlakbij een kazerne en hij groeide dus op met de klanken van fanfares, trommen, hoorn- en trompetsignalen plus marcherende voeten binnen oorbereik. Als gevolg daarvan ontstond de eerste groep, bestaande uit ‘Revelge’, ‘Der Tambourg’sell’, Der Schildwache Nachtlied’ en ‘Wo die schönen Trompeten blasen’. Het zijn goeddeels ‘nachtstukken’ uit het Wozzeck milieu. We horen de echo’s van de marsritmen hieruit voortdurend terug in zijn symfonieën en nadrukkelijk dus ook in deze liederen. Die muziek met militaire inslag wordt mooi afgewisseld door veerkrachtige melodieuze verzen die fijnzinnig zijn georkestreerd en een pastorale sfeer ademen, zoals in de tweede groep met lyrische- of liefdesliederen: ‘Rheinlegendchen’,‘Verlorne Müh’, ‘Trost im Unglück’, ‘Lied des Verfolgten im Turm’ en ‘Das irdische Leben’. Een groep die goeddeels bestaat uit door Mahler zo genoemde ‘humoresques’ (in de verhalende geest van Loewes Balladen).

De derde groep heeft een nadrukkelijk humoristische inslag: ‘Wer hat dies Liedlein erdacht’, ‘Lob des hohen Verstands’ en ‘Des Antonius von Padua Fischpredigt’. Blijven als categorie apart het mystieke ‘Urlicht’ en het toegevoegde ‘Es sungen drei Engel’ over.

Soms gaat het om miniatuur dialogen, tweezangen, die echter steeds door slechts één vertolker voor hun rekening moeten worden genomen. Mahler vond vrijwel alles wat hem emotioneel raakte in de Wunderhorn teksten: de natuur, vroomheid, verlangen, liefde, afscheid, nacht, de dood, jeugdige uitgelatenheid, kindergrappen, zonderlinge humor. De opgeroepen sfeer is afwisselend ironisch, geestig, surrealistisch of zelfs angstwekkend vreemd. De orkestbezetting is in principe vrij groot, maar wordt selectiever gebruikt dan we van Mahler gewend zijn.

‘Urlicht’ valt enigszins buiten het kader; het is eerder een hymne met een kort verhaaltje in het midden; ‘Das irdische Leben’ gaat over het nogal realistische, maar tenslotte tragische boerenbestaan. Mahler concentreert zich hier op de voortdurende activiteiten van de boerin die geen tijd kan vinden om haar hongerige kind te voeden zodat het tenslotte sterft. De realistische uitwerking suggereert Mahlers betrokkenheid; veel van zijn broertjes en zusjes stieren jong.

Arnim von Brentano had de teksten van Des Knaben Wunderhorn verzameld om andere Duitsers te herinneren aan een gemeenschappelijke erfenis. Het werk inspireerde sommige andere Duitse componisten, maar niemand meer en beter dan de Oostenrijker Mahler die feitelijk een ‘vreemde’ Bohemer was. 

 

De opnamen

 

Als regel is de cyclus het domein van beurtelings sopranen (Popp, Bonney, Norman, Schwarzkopf, Price) en baritons (Shirley-Quirk, Quasthoff, Fischer-Dieskau, Schmidt, Bröcheler, Keenlyside, Evans, Allen, Rehfuss, Weikl, Hampson, Berry), maar ook mezzo’s als Baker, Van Nes, Ludwig, Murray, Von Otter en Forrester hielden zich met deze materie bezig. De grootst mogelijke differentiatie paste Riccardo Chailly op Decca toe met vier stemmen: Bonney (s), Fulgoni (ms), Winbergh (t) en Goerne (b). 

Mahlervorser Donald Mitchell heeft daar met Riccardo Chailly grondig op gestudeerd en komt met een helaas niet nader beargumenteerde oplossing, waarbij bijvoorbeeld het doorgaans door een bariton voorgedragen Revelge door de tenor wordt gezongen en het zo vrouwelijke Rheinlegendchen door de bariton.

Vooral dankzij de inbreng van Janet Baker was de oudste lp opname van de cyclus uit 1966 met verder Geraint Evans en Wyn Moris zeer de moeite waard. Zij gold als een der beste, meest idiomatische Mahlervertolksters, die met name Jessye Norman in haar tien jaar later ontstane opname overtrof. Norman gaat namelijk met haar prachtige stem (net als vroeger een Kirsten Flagstad) enigszins als een stoomwals over Mahlers subtielere momenten heen. Daar helpt Bernard Haitinks volle begrip van Mahlers idioom niet veel meer aan. Maar die oudere nu op Carlton heruitgebrachte verklanking is technisch wat minder en vermoedelijk ook niet makkelijk verkrijgbaar. Verkrijgbaarheid is ook een probleem bij de eveneens oude versie van Forrester, Rehfuss en Felix Prohaska (Vanguard); de DG opname van Popp, Schmidt en Leonard Bernstein – de tweede met het Concertgebouworkest – schijnt helaas niet meer leverbaar te zijn, de Ottavo opname is vooral dankzij de spontane, frisse aanpak van Jard van Nes plus de duidelijk karakteriserende interpretatie van John Bröcheler en minder door de inbreng van het Arnhemse orkest interessant. En de EMI opname van Klaus Tennstedt met Popp en Weikl – mooi als er wordt gemusiceerd – valt al gauw af op grond van de te beperkte selectie.

Bij de minder bekende uitvoerenden valt de Virgin opname van Charles Mackerras met Ann Murray en Thomas Allen positief op. De dirigent huldigt een best aangenaam extroverte ‘buitenlucht’ opvatting, de fraaie mezzo van Murray klinkt heel natuurlijk en onopgesmukt. Best de moeite dus. Maar de onbetwist over de hele linie treffendste optie met alt is die van Von Otter op DG, die bovendien gelijkwaardige interpreten vond in Claudio Abbado en Thomas Quasthoff, plus natuurlijk niet te vergeten, het Berlijnse orkest.

Bij de versies met sopraan gooit die van George Szell (EMI) met Elisabeth Schwarzkopf en Dietrich Fischer-Dieskau, beiden met een levenslange ervaring met dit materiaal, nog steeds de hoogste ogen. Uiteraard zijn deze zangers voortreffelijk en ze ontlokken de teksten alle verbale nuancen en subtiele effecten die prachtig worden weerspiegeld in Szells begeleiding. Hooguit stoort Schwarzkopfs incidentele gekunsteldheid soms. De in 1968 in Kingsway Hall onder toezicht van Walter Legge gemaakte opname is voortreffelijk gerestaureerd.

En dan de Amsterdamse opname. Om te beginnen heeft Decca in opnametechnisch opzicht de beste papieren. De orkestrale contouren en kleuren komen ideaal tot hun recht. Natuurlijk is dat primair te danken aan de zorg voor helderheid, raffinement, nuancen en accenten van Chailly, maar dan nog. Op de solisten – Bonney (getuige bijvoorbeeld Wer hat dies Liedlein erdacht) en Goerne (met in het bijzonder het nu ongewone Das irdische Leben) voorop – valt ook niet het geringste aan te merken.

Wat de nieuwkomer van Philippe Herreweghe betreft valt natuurlijk meteen de milde, gehomogeniseerde, haast kamerorkestachtige klank van het Franse orkest op. Hij zorgde voor de eerste en voorlopig enige interpretatie die dichter de orkestklank uit Mahlers tijd benadert. Dit heeft als nadeel dat accenten veelal scherpte missen. Van de fel dramatische zangstijl van bariton Henschel moet men houden om zijn inbreng te appreciëren. Eerst proberen dus. Hoe pakkend zijn ‘Wo die schönen Trompeten blasen’ ook is, door een sopraan gezongen klinkt het beter. Connolly heeft een warmgetimbreerde, echter wat zware mezzo in haar aandeel van zeven liederen. Het eindresultaat is interessant, maar niet geheel overtuigend.

Aan de uitgave van de dirigerende en zingende Thomas Hampson bij de Weense virtuozen valt natuurlijk meteen de lichtelijk gereduceerde orkestratie met nog haast levendiger kleuring dan we gewend zijn op. De folkloristische achtergrond van het materiaal komt extra goed over. Indringend maar ook fijnzinnig is wat de bariton hier laat horen. Aan nuancering en verfijning geen gebrek en de expressie is bijna steeds zoals gewenst. Toch is niet alles even perfect, maar dat valt nauwelijks op.

Van de fragmentarischer opnamen zijn vooral die van Christa Ludwig in haar beste dagen, de altijd emotioneel zeer geëngageerde Brigitte Fassbänder en de uniform voortreffelijke, betrouwbare Anne Sofie von Otter aanbevelenswaardig.

Bij de opnamen met pianobegeleiding getuigt de versie van Thomas Hampson en Parsons van eenzame interpretatieve hoogte. Bezwaar zou hooguit kunnen zijn dat enigszins van een koekoek éénzang situatie sprake is nu alle vijftien liederen door één zanger worden voorgedragen. Maar Hampson is zo genuanceerd en overtuigend dat dit bezwaar dra als sneeuw voor de zon smelt. Ook de beide opnamen van Dietrich Fischer-Dieskau zijn nogal logisch zeer de moeite en bijzonder. Wat dat betreft is Simon Keenlyside met zijn selectie (en orkestbegeleiding) toch de wat mindere. 

 

Dietrich Henschel met film

 

Nadat Dietrich Henschel zich in de opname van Herreweghe al duidelijk had onderscheiden, maakte hij voor Evil Penguin in 2013 nog een opmerkelijke, nagenoeg volledige opname dus van alle vierentwintig liederen met pianist Boris Berezovsky. In april 2015 gaat hij nog een stap verder door een vertolking van het eerste vijftiental in de gangbare orkestratie van Mahler zeld, de resterende in de orkestratie van de pianopartij door Detlev Glanert met het Residentie orkest o.l.v. Cristian Macelaru tevens te laten begeleiden door een film van Clara Pons die zich op zomerse en winterse oorlogslocaties afspeelt met naast Henschel de acteurs Vera Streicher, Elias Fret en Sébastien Dutrieux. De zanger zelf ziet zich hier in een rol als denkbeeldige Franse soldaat om een klimaat van geleidelijk groeiende angst. De volgorde der liederen is daarop aangepast. Hopelijk is de zanger beter geïntoneerd en niet zo fel intimiderend en in expressief opzicht enigszins gemaniëreerd als bij Herreweghe.

Het is te hopen dat deze unieke productie op dvd verschijnt! 

 

Conclusie

 

Alles bijeen is de Decca-opname van Chailly en zijn viertal solisten in alle opzichten het interessantst en een van de mooiste. Een ereplaats is er voor de altijd speciale combinatie van Schwarzkopf, Fischer-Dieskau en Szell; een derde voor Von Otter, Quasthoff en Abbado. Een vierde voor Hampson met verkleind orkest. Maar probeer zeker ook Van Nes, Popp, Ludwig en Fassbänder eens te beluisteren.

Bij de dvd opnamen verdient Boulez prioriteit.

 

Discografie

 

Orkestversie met vier solisten

 

2000. No. 1-10, 12-15. Barbara Bonney, Sara Fulgoni, Gösta Winbergh en Matthias Goerne met het Concertgebouworkest o.l.v. Riccardo Chailly. Decca 467.348-2. 

 

Orkestversie met twee solisten (meestal sopraan of mezzosopraan en bariton)

 

1958. Nr. 1-10, 12-14. Maureen Forrester en Heinz Rehfuss met het Weens symfonie orkest o.l.v. Felix Prohaska. Vanguard 08.4045.71, Preiser 90536.

 

1966. Nr. 1-10, 13, 14. Janet Baker en Geraint Evans met het Londens filharmonisch orkest o.l.v. Wyn Morris. Carlton 30367.0154-2.

 

1968 nr.1-10, 12-14 Christa Ludwig en Walter Berry met het New York filharmonisch orkest o.l.v. Leonard Bernstein. CBS MK 42202.

 

1968. Nr. 1-10, 13, 14. Elisabeth Schwarzkopf en Dietrich Fischer-Dieskau met het Londens symfonie orkest o.l.v. George Szell. EMI 567.236-2. 

 

1975. Nrs. 1-10, 13, 15. Evelyn Lear, Richard Kraus en Thomas Stewart met o.a.het Kunstmaand orkest o.l.v. Anton Kersjes. VAI VAIA 1061.

 

1976. Nr. 1-10, 13, 14. Jessye Norman en John Shirley-Quirk met het Concertgebouworkest o.l.v. Bernard Haitink. Philips 454.014-2, 464.714-2 (2 cd’s).

 

1979. Nr. 1-11. Brigitte Fassbänder, Dietrich Fischer-Dieskau met het SW omroeporkest Saarbrücken o.l.v. Hans Zender. CPO 999.479-2 (2 cd’s).

 

1983. Nr. 1-10, 12-14. Eva Andor en István Gati met het Boedapest symfonie orkest o.l.v. György Lehel. Hungaroton HRC 075 (2 cd’s).

 

1985. Nr. 4,6,9,13,14. Lucia Popp en Bernd Weikl met het Londens filharmonisch orkest o.l.v. Klaus Tennstedt. EMI 569.862-2 (2 cd’s).

 

1987. Nr. 1-10, 12-14. Lucia Popp en Andreas Schmidt met het Concertgebouworkest o.l.v. Leonard Bernstein. DG 427.302-2.

 

1990. Nr. 1-10, 13, 14. Ann Murray en Thomas Allen met het Londens filharmonisch orkest o.l.v. Charles Mackerras. Virgin 561,507-2 (2 cd’s).

 

1992. Nr. 1-10, 12-14. Jard van Nes en John Bröcheler met het Gelders orkest o.l.v. Roberto Benzi. Ottavo OTRC 79238.

 

1996. Nr. 1-10, 12-14. Iris Vermillion en Bernd Weikl met het Weens symfonie orkest o.l.v. Eliahu Inbal. Denon CO 18018.

 

1998. Nr. 1-10, 12-14. Anne Sofie von Otter en Thomas Quasthoff met het Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Claudio Abbado. DG 459.646-2.

 

2006. Nr.1-10, 12-14. Sarah Connolly en Dietrich Henschel met het Orchestre des Champs-Elysées o.l.v. Philippe Herreweghe. Harmonia Mundi HMC 90.1920.

 

2010. Nr. 1-10, 12-15. Christiane Oelze en Michael Volle met het Gürzenich orkest Keulen o.l.v. Markus Stenz. Oehms OC 657.

 

2011. Nr. 1-10, 12- 14.Christiane Iven en Hanno Müller-Brachmann met het SWR Omroeporkest Baden-Baden en Freiburg o.l.v. Michael Gielen. Hänssler HAEN 93274.

 

Orkestversie met één solist

 

1971. Yvonne Minton met het Chicago symfonie orkest o.l.v. Georg Solti/ Decca 414.675-2 (2 cd’s).

 

1982. Nr. 1, 8, 13, 14 Siegfried Lorenz met de Staatskapel Berlijn o.l.v. Othmar Suitner. Berlin Classics BC 9397-2.

 

1989. Nr. 5, 6, 12. Brigitte Fassbänder met het Duits symfonie orkest Berlijn o.l.v. Riccardo Chailly. Decca 425.790-2. 

 

1989. Nr. 1-10, 13, 14. Dietrich Fischer-Dieskau met het Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Daniel Barenboim. Sony SK 44935, 88697-72101-2.

 

1996. Nr. 4, 5, 7, 9, 12. Dagmar Pecková met het Praags Kamerfilharmonisch orkest o.l.v. Jíri Belohlávek. Supraphon SU 3264-2231.

 

1997. Nr. 1, 2, 4, 6, 9, 13, 14. Simon Keenlyside met het Birmingham symfonie orkest o.l.v. Simon Rattle. EMI 556.657-2 (2 cd’s).

 

2010. Nr. 1-10, 12-14. Thomas Hampson met de Weense virtuosen. DG 477.9289.

 

2013. Nr. 4, 7, 9, 10, 12, 13. Christoph Prégardien met het Bochum symfonie orkest o.l.v. Steven Sloane. CPO 777.675-2.

 

Kleinere selecties

 

1969. nr. 4 en 5. Elly Ameling met het Engels kamerorkest o.l.v. Benjamin Britten. BBC BBCB 8004-2.

 

1981. nr. 5-8. Tom Krause met het Concertgebouworkest o.l.v. Bernard Haitink. Philips 464.321-2 (9 cd’s met Kerstmatinées).

 

1998. Nr. 5-7, 9. Waltraut Meier met het Symfonie orkest van de Beierse omroep o.l.v. Lorin Maazel. RCA 74321-57129-2. 

 

2007. Nr. 5, 6, 7, 16. Salome Haller en Nicholas Kruger. ZigZag Territoires ZZT 070503.

 

2007. Nr. 1, 6, 13, 13 Hakan Hagegard met het WDR Symfonie orkest Keulen o.l.v. Gary Bertini. Capriccio C 71124.

 

Met pianobegeleiding

 

1957/9. Nr. 1, 4-7, 9, 10: Christa Ludwig en Gerald Moore. EMI 764.074 (4 cd’s).

 

1969. Nr. 6, 7, 9. Irmgard Seefried en Erik Werba. Orfeo C 505991 B.

 

1981. Nr. 6, 7, 12. Christa Ludwig en Erik Werba. Orfeo C 331931 B.

 

1968. 3 Nr. 6 en 12. Thomas Stewart en Erik Weba. VAI VAIA 1205.

 

1971. Nr. 1-7. Dietrich Fischer-Dieskau en Leonard Bernstein. CBS 42196 (2 cd’s).

 

1976. Nr. 1, 4-9, 13, 14. Dietrich Fischer-Dieskau en Wolfgang Sawallisch. Orfeo C 33393.

 

1978. Nr. 1-11, 12, 15. Dietrich Fischer-Dieskau en Daniel Barenboim. EMI 567.556-2, 476.780-2.

 

1979. Nr.4, 6, 9, 10, 13, 14. Walter Berry en Rudolf Buchbinder.  Orfeo C 520991.

 

1986. Nr. 2, 5, 6, 7, 9, 10. Brigitte Fassbänder en John Wustman. Arts 43028-2.

 

1988. Nr. 2 7, 9, 10. Anne Sofie von Otter en Ralph Gothoni. DG 423.666-2.

 

1991. Nr. 4, 7 en 9. Lucia Popp en Geoffrey Parsons. BBC Classics BBCL 4025-2.

 

1991/3. Nr. 1-: Thomas Hampson en Geoffrey Parsons. Teldec 9031-74726-2.

 

1994. Nr. 5, 6, 7, 9, 10, 12. Margaret Price en Thomas Dewey. Forlane UCD 16744. 

 

1996. Nr. 6, 7, 10, 14. Christian Elsner en Charles Spencer. Ars Musici AM 1172-2.

 

2000. Nr. 4-7, 9, 15. Jyra Astfalk en Frédéric Sommer. RVM 463.005.

 

2002. Nr. 5, 6. Wiebke Hoogklimmer en Patrick Walliser. Thorofon CTH 2477.

 

2002. Nr. 16-18. Christian Hilz en Katia Bouscarrut. 2L 18.

 

2006. Nr. 4-7, 9, 10, 13, 14. Christoph Prégardien en Michael Gees. Hänssler HAEN 98256.

 

2007. Nr. 1-10, 12-14. Stephan Genz en Roger Vignoles. Hyperion CDA 67645.

 

2010. Nr. 5-9, 10, 12. Magaret Price en Thomas Dewey. Forlane FOR 16744.

 

2012. Nr. 1-10, 12-14. Wolfgang Holzmair en Charles Spencer. Onyx ONYX 4100.

 

2013. Nr. 1-10, 12-15. Omo Bello en Julien Guénebaut. Eloquentia EL 1238.

 

2012. Nr. 1, 4-7, 9, 12. Christianne Stotijn en Julius Drake. Onyx ONYX 4014.

 

2012. Nr. 1-10, 12-14. Thomas Bauer en Uta Hielscher. Ars musici 232364.

 

2013. Nr. 1-10, 11-14. Dietrich Henschel en Boris Berezovsky. Evil Penguin EPRC 013

 

Gedeelten voor pianosolo

 

2001. Elena Kuschnerova. RS RS 062-0071 (2 cd’s).

 

Video

 

1988. Lucia Popp en Walton Grönroos met het Israël filharmonisch orkest o.l.v. Leonard Bernstein. DG 073-416-7 (dvd).

 

2001. Thomas Hampson en Wolfram Rieger. TDK  DV-VTTH-EUR (dvd).

 

2010. Magdalena Kožená en Christian Gerhaher met het Cleveland orkest o.l.v.Pierre Boulez. Accentus Music ACC 20231 (dvd).